Schaken op drie borden: werken aan kwaliteit van subsidie –en
inkooprelaties
Jan Tilburgs
Welke
veranderingen ondergaat de relatie tussen een gemeente en een maatschappelijke
organisatie als ze de overstap van subsidiëren naar inkopen maken? Is hierbij
ook een rol voor de zelfverantwoordelijke burger weggelegd? En wie is
verantwoordelijk voor de kwaliteit van de subsidie- of inkooprelatie? Wat is
dat eigenlijk, kwaliteit binnen een subsidie- of inkooprelatie?
Dit
is een greep uit de vragen die ik in mijn adviespraktijk rond de invoering van
beleidsgestuurde contractfinanciering tussen opdrachtgevende overheden en
opdrachtnemende maatschappelijke organisaties tegenkom. In dit artikel wil ik
aan de hand van de systematiek van beleidsgestuurde contractfinanciering1, en
tegen het licht van een aantal meningen van anderen, mijn visie neerzetten in
antwoord op de vraag hoe met deze dilemma’s om te gaan.
Visie:
de peiler voor kwaliteit
In veel gemeenten speelt de discussie over de vraag: ‘blijven we de uitvoering
van welzijnstaken financieren binnen een subsidiestelsel, of is het beter om
ook binnen de taken op het gebied van maatschappelijke ontwikkeling de overgang
te maken naar een privaatrechtelijke inkooprelatie?’ De komst van de Wet
Maatschappelijke Ondersteuning (WMO) versterkt deze discussie. In het kader van
de Wet Voorziening Gehandicapten zijn gemeenten al gewend om producten in te
kopen. Het opgaan van de Wet Voorziening Gehandicapten en o.a. de Welzijnswet
in de WMO leidt ertoe dat er vaak een gemengd financieringsstelsel ontstaat:
enerzijds financiering via al dan niet gemoderniseerde subsidierelaties en
anderzijds inkopen via verschillende vormen van aanbesteden. De komst van de
nieuwe gemeenteraden in mei 2006 zal ongetwijfeld in menige gemeente weer olie
op het vuur van deze discussie gooien. Hierbij zullen argumenten van
verzakelijking, doelgerichtheid, meetbare prestaties, et cetera, weer volop de
revue passeren. De discussie wordt mijns inziens soms ook gevoed door gevoelens
van politieke onmacht in die situaties waar maatschappelijke ondernemingen er
niet in slagen om duidelijk te maken welke bijdrage zij leveren aan het
oplossen van maatschappelijke problemen. Niet ten onrechte stellen deze
maatschappelijke ondernemingen daarentegen dat het
voor hen onduidelijk is welke maatschappelijke problemen opdrachtgevende
gemeenten nu echt willen oplossen. Vaak zie ik dat gemeenten de oplossing
zoeken in het maken van afspraken over de te realiseren productie. De
Wetenschappelijk Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) stelt in dit verband: ‘De
keuze voor meer aandacht voor resultaten is op zichzelf te prijzen. Maar er
ontstaan problemen op het moment dat het uitsluitend gaat over meetbare
prestaties, terwijl de inhoudelijke kaders worden veronachtzaamd
Ik
sluit mij bij deze uitspraak aan. Naar mijn mening vormen juist de inhoudelijke
kaders de peiler voor de gewenste kwaliteit van de dienstverlening. Het
geleverde product is in mijn ogen slechts het middel om die maatschappelijke
doelen te bereiken.
Subsidie
en inkoop
Traditioneel subsidieerden gemeenten vooral op basis van kosten. De instelling
ontving subsidie voor de werkelijke kosten voor personeel, huisvesting,
organisatie en activiteiten, onder aftrek van de baten. De instelling was
eigenlijk volledig afhankelijk van één subsidiënt, die ook bepaalde hoe groot
het vermogen mocht zijn en welke reserves er gevormd mochten worden. Na de
invoering van lump-sum regelingen en budgetsubsidies,
is er nu steeds meer sprake van een omslag naar prestatiesubsidies of
activiteitensubsidies. Financiering op kostengrondslag is steeds meer de
uitzondering aan het worden. Instellingen worden in toenemende mate
maatschappelijke ondernemingen, die op basis van een dienstencatalogus met een
prijs per dienst, hun werkzaamheden aanbieden aan vragende gemeenten. Ook heeft
schaalvergroting haar intrede gedaan en zijn steeds meer lokale aanbieders
opgegaan in regionale aanbieders. De band met de gemeenten is wel blijven
bestaan. Het hoofdpakket van werkzaamheden wordt meestal nog steeds in dezelfde
gemeenten uitgevoerd, binnen vaste subsidierelaties. Steeds vaker worden meerjarige
subsidieovereenkomsten aangegaan. Leidraad voor deze meerjarige overeenkomsten
vormen door de raad vastgestelde gewenste maatschappelijke effecten. Het
college zet dit om in operationele doelen en de ambtelijke organisatie heeft de
taak op grond hiervan resultaatafspraken te maken met de maatschappelijke
ondernemingen3. Dit proces blijft plaatsvinden binnen de Algemene wet
bestuursrecht, en dat biedt zowel gemeenten als maatschappelijke ondernemingen
een helder juridisch kader.
Bij
het inkopen van maatschappelijke diensten vindt er eigenlijk een vergelijkbaar
proces plaats als bij subsidiëren met resultaatafspraken. Ook bij inkoop stelt
de raad de gewenste maatschappelijke effecten vast. Het college concretiseert
deze beoogde effecten en benoemt de bijbehorende operationele doelen.
Vervolgens zet de ambtelijke organisatie deze om in een bestek, waarin beoogde
maatschappelijke effecten en de operationele doelen gekoppeld worden aan
gewenste resultaten en prestaties. Als de gemeente het werk vervolgens op basis
van een privaatrechtelijk contract één op één wegzet bij een maatschappelijke
onderneming, lijkt inkopen erg veel op subsidiëren met resultaatafspraken.
Kiest de gemeente voor een aanbestedingsprocedure met meerdere aanbieders, dan
ontstaat de mogelijkheid om te opteren voor de beste prijs kwaliteit -
verhouding. Essentiële vraag is dan: wat wil men laten domineren, de prijs of
de kwaliteit? En wat versta je onder kwaliteit? Vaak bekruipt mij echter het
gevoel dat de gemeenten meer inzetten op de vorm, dan dat zij in dit proces
daadwerkelijk essentiële afwegingen maakt.
Zowel
in gemeenteland als in de welzijnspolder ervaar ik veel weerstanden bij de
vernieuwing in de financiering van maatschappelijke organisaties.
De
maatschappelijke organisatie als concurrerende opdrachtnemer
Jan Christiaan, adviseur bij Spectrum, stelt: ‘De
geschiedenis van lokaal sociaal beleid laat in veel gemeenten zien dat er door
de jaren heen een grote vervlechting tussen gemeente en instelling is gegroeid.
Een vervlechting die in zijn oorsprong een uitdrukking is van maatschappelijke
verhoudingen: een publieke waardering van overheidszijde voor het particulier initiatief. Deze waardering heeft zich over een
reeks van jaren ontwikkeld tot een grote overheidsbemoeienis met uitvoerende
instellingen. Dat kan niet zonder schade plotsklaps en eenzijdig met een
verordening worden afgeschaft of ontkend’4 . Christiaan
schetst daarbij ook het beeld dat instellingen die voortkomen uit traditionele
subsidierelaties zich nog niet om hebben kunnen vormen tot maatschappelijke
ondernemingen. Hij verwacht dat ze het onderspit zullen gaan delven als ze
moeten concurreren met grotere maatschappelijke ondernemingen die onder
marktwerking al veel langer een grotere vrijheid gehad hebben in hun bedrijfsvoering.
De ‘traditionelen’ hebben
nog nauwelijks kunnen investeren in het ontwikkelen van nieuwe producten, of
het verwerven van nieuwe opdrachten en opdrachtgevers. Hij pleit er daarom voor
dat gemeenten de tijd geven aan maatschappelijke ondernemingen, zodat ‘de
instelling los kan komen van de gemeente, en de tijd en medewerking krijgt om
de benodigde ontvlechting en zelfstandigheid te realiseren, integrale
kostprijzen te ontwikkelen met bestanddelen die productontwikkeling en
opdrachtverwerving mogelijk maken. Zodat zij uiteindelijk beter kan concurreren
met andere instellingen of met concurrenten als zorgaanbieders en
woningcorporaties.’
In
mijn adviespraktijk ervaar ik bij gemeenten wel degelijk een bereidheid om de ‘traditionelen’ deze tijd en ruimte te gunnen wanneer dit
nodig mocht zijn, maar dan wel wanneer er sprake is van tevredenheid over de
bijdrage van deze instellingen aan het lokaal sociaal beleid. Daar waar echter
al langere tijd sprake is van onvrede over deze bijdrage, misschien alleen
omdat de instelling deze niet goed zichtbaar kan maken, ontbreekt vaak de
gemeentelijke wil om deze ruimte te bieden. In het gunstigste geval stimuleert
de gemeente de instelling om op te gaan in een grotere regionale aanbieder, in
de hoop dat daarmee de professionaliteit toe zal nemen. Of zij gaat, in een
zoektocht naar een nieuwe start zonder de ballast uit het verleden, over tot
een koude sanering zo gauw de mogelijkheid zich daartoe aandient, bijvoorbeeld
wanneer de organisatie in financiële problemen raakt.
De
vraag in hoeverre maatschappelijke organisaties nog onvoldoende zijn toegerust
om hun rol als opdrachtnemer te spelen, is in dit verband ook van belang. De
bevindingen van een onderzoek op kleine schaal uit 20015, waarin twaalf
maatschappelijke organisaties werden onderzocht op de mate waarin zij
resultaatgericht werken, toonden aan dat ongeveer een derde van de onderzochte
maatschappelijke organisaties daar nog in achter liep, waar ongeveer een zesde
zich kon meten met de ideale maatschappelijke onderneming. Maar ik denk dat er
sinds die tijd veel ten gunste veranderd is. Er zijn sindsdien veel
initiatieven genomen. En ook onze eigen cursus ‘Maatschappelijk ondernemen op
eigen kracht’ waarin ik vele directeuren van maatschappelijke organisaties
mocht begroeten, liet een ander beeld bij mij na.
Mijn
pleidooi is er dan ook niet een van terughoudendheid. Ik geloof dat wanneer je
innovatie binnen de welzijnspolder wilt stimuleren, je gebruik moet maken van
de dominante succesfactoren voor innovatie: minder regels, meer durf, echt
denken vanuit de gebruiker, elkaars
praktijkvoorbeelden overnemen6. Als ik dit vertaal naar de welzijnspolder wordt
dit: zorg voor minder beperkende regels voor
maatschappelijke ondernemingen; beperk je niet tot het bekende, maar zoek de
horizon op en durf die elke keer weer te verleggen; zet de gebruiker centraal
als je maatschappelijke effecten benoemt en deze operationaliseert in concrete
doelen en prestatieafspraken; zoek zowel binnen de eigen sector als daarbuiten
naar goede praktijkvoorbeelden en benut die voor de eigen lokale situatie.
Hand
in de gemeentelijke boezem
De gemeentelijke aarzelingen om vorm te geven aan nieuwe, meer
resultaatgerichte financieringsrelaties worden vaak gevoed door de ervaring dat
het helemaal niet zo gemakkelijk is om aan te geven wat de gemeente nu precies
van maatschappelijke ondernemingen verwacht. Het schrijven van een bestek voor
een concreet tastbaar product met duidelijke technische specificaties is voor
de meeste gemeenten inmiddels één van de
kernvaardigheden geworden. Hoe anders ligt dit bij opdrachten die worden
uitgegeven op het terrein van het lokaal sociaal beleid? Het is niet voor niets
dat veel van de net gestarte lokale rekenkamers onderzoek uitvoeren naar het
eigen subsidiebeleid. In al deze onderzoeken komt een aantal vergelijkbare
kanttekeningen boven tafel, waaruit mag worden afgeleid dat men ook in
gemeenteland nog lang niet klaar is om ook op een hoog kwalitatief niveau het
subsidiebeleid tot uitvoering te brengen. Zo wees recent onderzoek van de
lokale rekenkamer in Apeldoorn in dit verband uit: ‘De bruikbaarheid van de
gescheiden beleidsnotities ten behoeve van subsidieverstrekking varieert, omdat
zij soms wel en soms geen SMART geformuleerde doelen bevatten. Gemaakte prestatieafspraken zijn soms weliswaar SMART geformuleerd,
het zijn echter voornamelijk kwantitatief geformuleerde prestatieafspraken,
waarvan alle respondenten aangeven dat zij niet de essentie van de activiteiten
weergeven. Het merendeel van de raadsleden vindt dat de gemeenteraad
zich niet moet beperken tot het benoemen van effecten en dat zij ook de output
van de budgetgesubsidieerde activiteiten moeten vaststellen. Dit staat op
gespannen voet met de wens om vooral op hoofdlijnen te willen sturen.’7
Mijn
inziens speelt een drietal factoren een rol bij een succesvolle overstap van
subsidiëren naar het inkopen van maatschappelijke diensten. Net als bij
subsidiëren moet bij inkoop sprake zijn van effectiviteit, rechtmatigheid en
tijdigheid. De gemeente Utrecht werkte deze succesfactoren, hier voor subsidie,
als volgt uit:
‘Effectiviteit:
de inzet van subsidies levert een belangrijke bijdrage aan het realiseren van
beleidsdoelstellingen van de Dienst Maatschappelijke Ontwikkeling (afgeleid uit
het collegeprogramma). De Dienst Maatschappelijke Ontwikkeling is in staat om
hierin te sturen en kan verantwoording afleggen over het bereikte resultaat.
Rechtmatigheid:
de subsidies binnen de Dienst Maatschappelijke Ontwikkeling worden volledig
volgens de kaders van de relevante wet- en regelgeving, waaronder de
gemeentelijke subsidieverordening, verleend en vastgesteld.
Tijdigheid:
de aangegeven termijnen die gelden in de wet- en regelgeving worden bewaakt en
gerealiseerd.
Gemeenten
die overwegen de stap te maken om voor de uitvoering van maatschappelijke
diensten de meer traditionele subsidierelaties te verlaten voor een
inkooprelatie, zullen zich rekenschap moeten geven van de mate waarin deze
factoren zijn verankerd binnen de gemeente. Zijn ze niet of onvoldoende
verankerd, dan zal de overstap een mistig proces zijn, waarbij de vuurtorens
voor het bepalen van de richting ontbreken.
De
factor tijdigheid oogt als een simpel gegeven. Mijn adviespraktijk leert echter
dat er veel gemeenten zijn die het niet zo nauw nemen met die tijdigheid,
vooral niet als het om hun eigen termijnen gaat. Wel verwachten zij dat de
maatschappelijke organisaties zich aan de voorgeschreven termijnen houden en op
tijd informatie aanleveren. De gemeenten kunnen veel wrevel die als gevolg
hiervan ontstaat binnen de subsidierelaties wegnemen wanneer zij zich meer
gelegen laten liggen aan hun eigen verplichting van
tijdigheid. Dat opdrachtnemende maatschappelijke organisaties hier aandacht
voor vragen is in mijn ogen dan ook niet meer dan terecht.
De
factor rechtmatigheid staat momenteel volop in de belangstelling nu de eisen
met betrekking tot de jaarrekening van gemeenten zijn aangescherpt. Deze
aanscherping zal ongetwijfeld hier en daar gespannen situaties met zich
meebrengen, omdat er nog al eens onduidelijkheid bestaat over wat er nu precies
is afgesproken. Ik verwacht dat de aanscherping wel zal leiden tot meer
duidelijkheid over de te leveren prestaties in de beschikkingen
subsidieverlening of in het inkoopcontract. Maar ik betwijfel of aanscherping
ook meer informatie zal opleveren over de mate waarin bijgedragen wordt aan de
beoogde maatschappelijke effecten: de factor effectiviteit. Mijns inziens ligt
hier de grootste uitdaging voor gemeenten. Zijn zij in staat om helder te
verwoorden wat zij precies van maatschappelijke ondernemingen verwachten?
Gemeente:
weet wat je wilt en regisseer
Het is de kern van de kwaliteitsverantwoordelijkheid van de overheid ten
aanzien van subsidierelaties: weet waar je horizon ligt en formuleer de
trektocht waarlangs die bereikt moet worden. Wees met andere woorden duidelijk
in je beleid.
‘Beleid
is het streven naar het bereiken van bepaalde doeleinden met bepaalde middelen
en bepaalde tijdskeuzen’9 . In dit streven zijn grofweg vier fasen te
onderscheiden: de beleidsontwikkeling, de beleidsbepaling, de beleidsuitvoering
en de beleidsevaluatie.10 Beleidsontwikkeling start met een probleemstelling
die, als het goed is, wordt aangegeven door het college of de raad. De
probleemstelling bevat die onderwerpen waarvan de raad of het college vindt dat
de huidige maatschappelijke werkelijkheid niet aansluit bij de norm hiervoor.
De WRR11 pleit ervoor dat de politiek dit normatieve debat ook daadwerkelijk
voert. Zij signaleert dat er in de politieke sturing van de maatschappelijke
dienstverlening een overmatige aandacht is gekomen voor het beheren en
beheersen, en dat de normatieve en ideologische aspecten hierbij ondergesneeuwd
raken. De fase van beleidsontwikkeling vind ik ook bij uitstek de fase die zich
leent om zowel dienstverleners, die met hun ‘poten in de dagelijkse modder’
staan, als gebruikers, die zelf met het maatschappelijke probleem kampen, via
interactieve beleidsvorming te betrekken. Het geeft mijn inziens de meeste
garantie dat het beleid uiteindelijk ook uitvoerbaar is.
In
de fase van de beleidsbepaling is het in ons politieke bestel uiteindelijk de
politiek die uitmaakt wat de beoogde maatschappelijke effecten zijn. In het
duale stelsel is er discussie of de politiek ook moet bepalen wat de beoogde
resultaten zijn. In de gemeente Apeldoorn heeft men het zelfs over
beleidsbepaling op outputniveau. Output zie ik hierbij als het product en het
aantal producten dat ingezet wordt. Terwijl outcome juist aangeeft welke resultaten en effecten
bereikt dienen te worden. Concentratie van de raad op outcome
lijkt mij derhalve beter dan zo’n grote nadruk op de
output van maatschappelijke organisaties.
Voor
de beleidsuitvoering zijn de gewenste resultaten en de effecten leidend.12 Als
blijkt dat deze niet duidelijk genoeg geformuleerd zijn komt er een kink in de
kabel. Heel veel beleidsnotities blinken uit ‘in mooie verhalen, vol met
intenties en voorgestelde acties waarvan onduidelijk is waarom ze in die
specifieke situatie wel zouden werken.’ Beleidsnotities dienen dan ook
duidelijk aan te geven wat precies de doelen zijn, welke gewenste resultaten en
effecten men beoogt, en welke streefnormen men daarbij heeft. De notities
kunnen dan via een doelenboom uitmonden in een opdracht aan een maatschappelijke
organisatie (of dat nu binnen een subsidieverhouding of een inkooprelatie is).
Voorbeelden
van dergelijke doelenbomen zijn weergegeven in figuur 1, 2 en 3.
|
Element
|
Definitie
|
Voorbeeld
|
|
Activiteit
|
De
handeling die de organisatie verricht
|
Het
verzorgen van een opleiding tot lasser voor allochtone probleemjongeren
|
|
Resultaat
|
Het
directe gevolg van de activiteit
|
15
jongeren hebben deelgenomen aan de opleiding en hebben deze afgerond met het behalen
van een diploma
|
|
Doel
|
Het
beoogde indirecte gevolg van de activiteit;it is niet direct beïnvloedbaar door de
maatschappelijke organisatie
|
De
deelnemers hebben:
- Een baan gevonden
- Een stageplek
gevonden
- Een beter inzicht in
hun kunnen en wensen en hebben een plan ontwikkeld om daar iets mee te
doen
|
|
Maatschappelijk
effect
|
Het
beoogde uiteindelijke maatschappelijke effect
|
Het
versterken van de integratie van allochtonen in de Nederlandse samenleving
|
Figuur 1: Elementen van de doelenboom
De
gemeente ‘Zorgstad’ beschouwt het als een van haar taken om opvang te bieden
aan burgers die om wat voor reden dan ook de thuissituatie hebben verlaten.
Denk hierbij aan dak- en thuislozen, mishandelde vrouwen of mensen in een
psychische crisis. De gemeente Zorgstad heeft hiertoe een beleidsproduct
‘maatschappelijke opvang’ benoemd. In figuur 2 zijn (met eerst weer de
definitie) invoer, activiteiten, resultaten en effecten beschreven voor dit
beleidsproduct.
|
Element
|
Definitie
|
Voorbeeld
|
|
Invoer
|
Middelen
|
Personeel
Gebouwen (opvangplaatsen)
|
|
Activiteiten
|
De
handeling die de organisatie verricht
|
Het
bieden van opvang
Het verzorgen van maaltijden
Het bieden van maatschappelijke hulp
|
|
Resultaten
|
Het
directe gevolg van de activiteit
|
Aantal
opgevangen personen
Aantal verstrekte maaltijden
Aantal afgeronde hulpverleningstrajecten
Tevreden gebruikers
|
|
Gewenst
effect
|
Het
beoogde uiteindelijke maatschappelijke effect
|
Het
terugbrengen van het aantal mensen dat maatschappelijke opvang nodig heeft
Het
verbeteren van de leeftoestand van mensen die wel behoefte aan opvang hebben
|
Figuur 2: Beleidsproduct Maatschappelijke Opvang
|
Effect van het programma
Het behoud van het historisch stadsgezicht
|
|
Effect van de
producten
Het verminderen van illegale vertimmeringen
|
Effect
van de producten
Stimuleren van goedgekeurde behoud- en herstelwerkzaamheden
|
|
Product
vergunningen
|
Product
handhaving
|
Product
Plaatsing op monumentenlijst
|
Product
Het verstrekken van subsidies
|
|
|
|
|
Figuur 3: doelenboom voor het programma Monumenten
Deze
drie doelenbomen hebben met elkaar gemeen dat er een relatie te leggen is tussen
de maatschappelijke effecten die men wil bereiken, de resultaten waaruit men
afleidt dat deze maatschappelijke effecten ook daadwerkelijk gehaald worden en
de producten die nodig zijn om resultaten en effecten te realiseren. Geen van
deze doelenbomen zijn nog SMART geformuleerd, maar ze bieden hiertoe wel de
mogelijkheid. Je kunt bijvoorbeeld streefcijfers benoemen voor het aantal
mensen dat binnen een bepaalde periode geen behoefte meer heeft aan
maatschappelijke opvang. Lastiger wordt het om vast te stellen wat nu precies
de bijdrage van de maatschappelijke opvang is geweest om het maatschappelijke
effect te realiseren. Veelal zijn er meerdere actoren op één terrein aanwezig.
Hier ligt volgens mij een kerntaak voor de beleidsambtenaar: het als regisseur,
via subsidieverlening of inkoop, aansturen van meerdere maatschappelijke
organisaties om het gewenste effect te bereiken. Dit vereist ook inhoudelijke
kennis bij de beleidsambtenaar. Waar die inhoudelijke kennis ontbreekt,
verwordt de subsidierelatie tot een cijfermatige afspraak, waarin rekenmeesters
vooral gefocust zijn op de geleverde prestaties. Naast de vraag of de
prestaties wel in voldoende aantallen en tegen de juiste prijs geleverd zijn,
moet de nadruk daarnaast vooral liggen op de vraag of de beoogde resultaten en
effecten wel gerealiseerd worden. Ook al betekent dit nu vaak nog een
confrontatie met de omissies in de eigen aansturing omdat men nog niet in staat
is om de gewenste resultaten en effecten te concretiseren. Ik deel dan ook de
volgende opvatting. ‘Ambtenaren moeten voldoende toegerust zijn om resultaten
en effecten te formuleren, om tijdens de uitvoering voldoende afstand te houden
(behalve regelmatig te volgen of de afgesproken productie op koers ligt en al
dan niet te concluderen dat maatschappelijke omstandigheden nopen tot een
wijziging) en om de gecalculeerde prijzen op hun waarde te beoordelen’.
Opdrachten
voor bestuurders
Ook voor bestuurders ligt er een aantal belangrijke opdrachten. De Raad voor
Maatschappelijke Ontwikkeling heeft opdrachten voor bestuurders geformuleerd.
In dit kader vind ik de volgende punten belang:
- Dereguleren. Het afschaffen
van regels moet constant aan de orde zijn.
- Prioriteren.
De overheid maakt samen met burgers en maatschappelijke organisaties keuzes
voor beleidsprioriteiten. Er worden beleidsagenda’s opgesteld waarin
duidelijk staat wie waarvoor verantwoordelijk is.
- Rivaliteit. Richt de
publieke sector zo in dat maatschappelijke ondernemingen zich van elkaar
onderscheiden en in onderlinge competitie ernaar streven om uit te blinken
in de kwaliteit voor burgers.
- Handelingsruimte. Geef
ruimte aan burgers en maatschappelijke organisaties, publieke instellingen
en professionals om hun eigen passende arrangementen te treffen. Stapel
als overheid niet sturingsinstrument op sturingsinstrument, maar beperk je
tot de kaders op hoofdlijnen.
- Gedifferentieerde
verantwoording. De overheid moet de verantwoording zo inrichten dat
maatschappelijke ondernemingen en professionals zich naar de overheid
verantwoorden op hoofdlijnen. Daarnaast verantwoorden instellingen en
professionals zich horizontaal aan burgers en andere instellingen.
Het
zal niet eenvoudig zijn om deze opdrachten ook daadwerkelijk in de praktijk te
brengen. Het vraagt om politieke moed, en om een consistente aanpak op alle
niveaus van het bestuur. Mijn adviespraktijk leert dat deze politieke moed zo
rond de verkiezingstijd aardig begint te slinken, maar na de collegevorming
weer behoorlijk toeneemt. Ik verwacht tot de zomer van 2006 dus eb, en daarna
zal het wel weer vloed worden.
De
ideale maatschappelijke organisatie
De overgang van subsidierelatie op basis van een exploitatiesubsidie naar een
resultaatgerichte subsidie- of inkooprelatie vereist ook inspanningen van
maatschappelijke organisaties.18 In 2001 formuleerden Henriëtte
van Bussel e.a.19 al een ideale situatie voor de resultaatgerichtheid van
maatschappelijke ondernemingen. Zij koppelen deze resultaatgerichtheid aan de
doelenboom uit figuur 1. Zij gaan er vanuit dat maatschappelijke ondernemingen
in de toekomst afgerekend worden op het resultaat dat ze weten te bereiken.
Van
Bussel e.a kijken vanuit een
twaalftal gezichtpunten naar de ideale maatschappelijke organisatie, te weten: methodieken,
activiteiten, relatie met de subsidiegever, relatie met de klanten, cultuur,
managementstijl, personeelsbeleid, benchmark,
financiële systemen, evaluatiesystematiek, gegevensverzameling, structuur van
de organisatie. Ik wil een paar essentiële aspecten nader belichten.
Bij
methodieken denken Van Bussel e.a. niet zo zeer aan inhoudelijke methodieken om
het werk uit te voeren, maar aan meer bedrijfskundige instrumenten, zoals een
jaarplan en jaarverantwoording, beide opgesteld in de vorm van een doelenboom -
analyse als in figuur 1, en systemen voor projectmatig werken. Zij vinden het
wenselijk dat alle medewerkers die werkzaam zijn in het primaire proces over
deze methodieken beschikken en ze ook kunnen toepassen. Dit vereist mijn
inziens een flinke omslag in cultuur van maatschappelijke organisaties, waar
ruimte voor de individuele uitvoerder hoog in het vaandel staat. Het is echter
de kern van professionalisering dat die ruimte gekaderd wordt door
professionele standaards voor werkwijzen en bedrijfsprocessen, zodat
kwaliteitsbeoordeling plaats kan vinden. De klant heeft hier baat bij en alleen
al daarom is het nodig deze stappen te zetten.
In
de ideale situatie eist volgens Van Bussel e.a. de subsidiegever van de
maatschappelijke onderneming dat deze duidelijk gedefinieerde en meetbare
resultaten laat zien, en het verband weet te leggen tussen de resultaten en de
door de gemeente vastgestelde doelen en gewenste maatschappelijke effecten. De
gemeente voert vervolgens evaluatieonderzoek uit, waarna de maatschappelijke
organisatie wordt afgerekend op het bereikte resultaat. In het voorbeeld van
figuur 1 gaat het dan om de vraag of de vijftien jongeren die hebben
deelgenomen aan de opleiding, deze ook hebben afgerond met het behalen van een
diploma.
Als
grondslag voor afrekening vind ik ‘het behalen van een diploma’ discutabel. Het
kan ertoe leiden dat de organisatie alleen die jongeren tot de opleiding
toelaat waarvan ze verwacht dat ze ook daadwerkelijk het diploma behalen. Het
is maar de vraag of dit ook de groep is die je als gemeente wilt bereiken.
Vandaar
dat ik meestal adviseer om niet af te rekenen op resultaat, maar op geleverde
prestaties. De behaalde resultaten moeten wel in beeld worden gebracht en
kunnen gebruikt worden om te bezien of met die resultaten het beoogde
maatschappelijke effect dichterbij gekomen is. Wanneer de resultaten niet
bevredigend zijn, is dit aanleiding voor de gemeente
om zich te beraden op de vraag of zij dit product nog langer wil afnemen in de
volgende jaren. Het kan dan bijvoorbeeld zijn dat het product niet voldoende
bijdraagt aan het oplossen van het maatschappelijke probleem, of dat de
kwaliteit van de uitvoering van het product onvoldoende is.
In
de ideale situatie wordt naar de mening van Van
Bussel e.a. gebruikgemaakt van informatie en signalen van de klant. Ook de
stichting Rekenschap heeft ideeën over de rol en de positie van gebruikers bij
subsidierelaties.20 Zij stelt: ‘Neem nadrukkelijk het oordeel, de waardering
van gebruikers, patiënten, cliënten op in het rijtje prestatie-indicatoren. In
de publieke sector ontbreekt de tucht van de markt, daarom moet er in de
publieke sector een andere manier gezocht worden om het oordeel van gebruikers
mee te wegen.’ Ik deel de ideeën van de stichting Rekenschap. Daarnaast moeten
maatschappelijke ondernemingen mijns inziens niet alleen informatie halen bij
de klant, maar ook brengen. Klanten moeten regelmatig geïnformeerd worden over
de activiteiten en over de beoogde en de behaalde resultaten, zodat zij als volwaardige
tegenspelers van de maatschappelijke organisatie kunnen functioneren.
Een
laatste aspect dat ik wil belichten uit het artikel
van Van Bussel e.a., is de aandacht die in de ideale
situatie besteed moet worden aan gegevensverzameling. Nu roept dit al snel het
beeld op van de gezondheidszorg waar men roept om ‘meer handen aan het bed’ en
een minder grote hoeveelheid verstikkende informatiegegevens en -handelingen.
Verzameling van gegevens is wel degelijk van belang, als er vervolgens tenminste goed naar de gegevens wordt gekeken. Elf van de
twaalf instellingen in het onderzoek van Van Bussel
verzamelen gegevens over hun resultaten. Maar levert dit ook werkelijk
informatie op? De cijferpagina’s in de jaarverslagen nemen hand over hand toe,
maar de interpretatie van gegevens ontbreekt nog in veel gevallen. Een
resultaatgerichte maatschappelijke onderneming zal volgens mij aandacht moeten
besteden aan het interpreteren van gegevens, zodat het jaarverslag wat dat
betreft niet verwordt tot een zoekplaatje voor ambtenaren en politici.
Drie
spelers aan de bal
Het zal duidelijk zijn dat ontwikkeling van subsidierelaties niet iets is wat
alleen door de gemeente getrokken kan worden of alleen door de maatschappelijke
organisatie. Beide partijen zullen daarin samen op moeten trekken. Hier ligt
echter het gevaar van het een-tweetje. De burger en meer in het bijzonder de
gebruiker heeft ook een rol. Meer dan in het verleden
zullen gemeente en maatschappelijke organisatie daarbij oog moeten hebben voor
de gebruiker. Deze is niet alleen maar de consument, maar moet ook invloed
kunnen uitoefenen op zowel het aanbod, als de kwaliteit van dat aanbod. Geen
een-tweetje meer, maar drie spelers aan de bal. Hiervoor zijn nog niet zoveel
spelregels, maar de WRR heeft in 2004 een rapport uitgebracht dat heel aardig
de kaders van dat speelveld aangeeft en als leidraad kan dienen voor de
ontwikkeling van nieuwe spelregels. Het rapport ‘Bewijzen van goede
dienstverlening’ van de WRR21 is weliswaar bedoeld voor de rijksoverheid, maar
biedt ook voldoende aanknopingspunten voor gemeentelijk beleid ten aanzien van
subsidieverhoudingen. In dit rapport pleit de WRR voor een systeem van ‘checks’ en ‘balances’ om de
positie en de mogelijkheden van de professionals en hun organisaties te versterken
en daar waar nodig in ere te herstellen. De WRR verwacht dat hiermee
vernieuwingen en kwaliteitsverbeteringen in de maatschappelijke dienstverlening
meer kans krijgen. Een dergelijk systeem moet overigens echter niet beschouwd
worden als een vrijbrief. Wanneer de vernieuwingen en kwaliteitsverbeteringen
niet gerealiseerd worden moet er volgens de WRR wel een correctie plaatsvinden.
De
WWR heeft vijf principes geformuleerd die richtinggevend zijn bij het ontwerpen
van een systeem van ‘checks’ en ‘balances’.
Ik zal tot slot elk van de principes kort belichten.
Het
eerste principe is: kennisallianties organiseren op het lokale niveau door
te investeren in het overleg van dienstverleners, managers, lokale overheden en
organisaties van belanghebbenden. In de praktijk betekent dit volgens mij
vooral een verbreding van lokale netwerken met vertegenwoordigers van de
belanghebbenden. Heel vaak zijn de lokale overheden hier al
in vertegenwoordigd of hebben zij hierin zelfs een regisserende taak op zich
nomen.
De
WRR ziet in dit verband ook een belangrijke taak voor de brancheorganisaties.
Zij moeten bijdragen aan het organiseren en uitdragen van kennis en het
initiëren van het normatieve debat over wat goed onderwijs, goede zorg, goed
wonen en goed welzijn is. Ze leveren daarmee een bijdrage aan de vermindering
of het wegnemen van het geïnstitutionaliseerde wantrouwen dat de relatie tussen
overheid en het veld nu te veel domineert.
Het
tweede principe is: investeren in de variatie en in innovatieve praktijken
door zinvolle innovatieve projecten voorrang te verlenen. Er moet daarvoor een
systeem van inspanningsverplichtingen komen, dat dwingt tot inhoudelijke
afspraken over de te realiseren kwaliteit en maatschappelijke opbrengsten.
Initiatieven die ingaan op een maatschappelijke vraag waarbij verbindingen
moeten worden gelegd tussen verschillende (financiële) beleidsregimes kunnen
tijdelijk een experimenteerstatus krijgen. Deze status is dus tijdelijk en
dient na succesvolle evaluatie te leiden tot een permanente aanpassing van wet-
en regelgeving en financieringsstromen. Deze aanbeveling kan volgens mij in de
lokale praktijk nog wel eens last krijgen van de nieuwe toets op de
rechtmatigheid en doelmatigheid, die eerder remmend dan stimulerend werkt op
innovatie. Opname van het instrument innovatiesubsidies in de algemene
subsidieverordening kan dit wellicht ondervangen.
Het
derde principe is: actieve en betrokken tegenspelers organiseren bij de
uitvoerende organisaties en bij overheden en politiek. De cliënten en hun
vertegenwoordigende organisaties vormen de eerste en belangrijkste ring van
belanghebbenden. De WRR pleit ervoor de huidige wet- en regelgeving rond
inspraak los te laten, omdat ze verworden is tot rituelen. Daarvoor in de
plaats wil zij een verplichting voor de dialoog met en invloed door cliënten en
andere belanghebbenden. Hierbij moet volop ruimte geboden worden voor op de
lokale situatie toegesneden praktijken. Om de cliënten tot krachtige
tegenspelers te maken is het nodig dat zij beschikken over informatie over de
kwaliteit van dienstverlening. Ook moeten de sectoren zorgen dat er mechanismen
komen voor laagdrempelige conflictbeslechting op individueel niveau. Veel
directeuren hebben al de grootste moeite met de medezeggenschap van hun eigen
personeel via de ondernemingsraden; nu wordt van hen verwacht dat ze ook nog
eens hun cliënten sterker maken als tegenspeler. De mate van taakvolwassenheid
van de maatschappelijke onderneming als geheel en haar leiding in het bijzonder
is daarin volgens mij sterk bepalend voor de vraag of men er in slaagt deze
actieve betrokkenheid van de tegenspelers ook daadwerkelijk te realiseren. Hier
valt nog heel veel in te winnen.
Het
vierde principe is: zorgen voor een gepaste openbare verantwoording door
middel van een door de overheid in overleg met de aanbieders en
cliënten(organisaties) op te stellen richtlijn voor de verslaglegging.
Aanbieders in de maatschappelijke dienstverlening worden verplicht tot het
geven van informatie over de diensten die zij leveren. Het moet zelfs een
bekostigingsvoorwaarde worden. Naast de informatieplicht van maatschappelijke
ondernemingen pleit de WRR ook voor een informatierecht van cliënten, om
daarmee de wederkerigheid van de relatie te benadrukken. Daarnaast bepleit ze
dat kwaliteitsverbeterende methodes zoals visitaties, intercollegiale
consultaties, evaluatiesystemen en ‘peer reviews’
verder uitgebouwd worden en vanzelfsprekende onderdelen worden in het werk. Deze ontwikkeling zie ik bij heel veel maatschappelijke
ondernemingen nog duidelijk in de kinderschoenen staan. Hierin ligt niet alleen
een taak voor communicatieadviseurs, maar nog veel meer voor adviseurs op het
gebied van organisatieontwikkeling en strategie, want de deuren moeten open en
er moet actief met de omgeving gecommuniceerd worden.
Het
vijfde principe, ten slotte, is: zorgen voor meer samenhang in het toezicht
in de verschillende sectoren. De basis ligt bij het interne
integrale toezicht. Dat betekent dat de Raad van Toezicht in alle sectoren
wettelijk erkend en verankerd moet worden. De raad van toezicht kan alleen goed
functioneren als zij onafhankelijk is, deskundig is, en periodiek openbare
verantwoording aflegt. Het externe toezicht is aanvullend en betreft de
kwaliteit en de doelmatige en rechtmatige besteding van publieke middelen. Via
selectief toezicht worden boven- en ondermaats presterende organisaties
opgespoord en worden de goede als voorbeeld gesteld voor de slechtere. Leren en
ontwikkelen is daarbij essentiëler dan afrekenen. Lokaal is hier mijn inziens
heel veel te winnen. Het betekent ook een houding waarin ieder vanuit eigen
verantwoordelijkheid de ander aanspreekt, maar ook de ruimte laat voor de eigen
ontwikkeling. De lokale overheid bestaat daarin uit drie partijen: raad,
bestuur en ambtelijke organisatie. Alle drie die partijen moeten mee willen
leren en mee willen ontwikkelen. De ambtelijke organisatie kan dat niet alleen,
want dan wordt zij gemangeld tussen raad en bestuur enerzijds en de
maatschappelijke organisatie anderzijds, waarbij de burger en de gebruiker op
de tribune hun onvrede over het vertoonde spel zullen tonen. Er is mijn inziens
dan ook maar één weg en die gaat via: Samen, samen, samen. Leren, leren, leren.
Ontwikkelen, ontwikkelen, ontwikkelen.
Met
dank aan mijn collega’s Marja Cevaal,
Johan Vermeulen en Johan
Kruithof.
- Henriëtte
van Bussel e.a. , Sturen op resultaten en maatschappelijke effecten van
welzijnsinstellingen. Openbaar bestuur 2001-9
- Alexander
Babeliowsky. Kwaliteit van subsidieversterkking
- Doelmatigheid en
doeltreffendheid van subsidies . , Stadsdeel Amsterdam-Centrum,
maart 2004