De zelfstandige oudere: heimwee naar het verzorgingshuis?
Clemens van Engelen
Nederland
vergrijst, de zorg gaat extramuraal en het marktdenken rukt op in de wereld van
wonen, zorg en welzijn. De groeiende groep ouderen zal zich in de toekomst -
nog meer dan nu het geval is - zelfstandig moeten zien te redden. De
maatschappelijke ondersteuning die de ouderen hierbij nodig hebben wordt
dichter bij de burger georganiseerd. De verantwoordelijkheid voor de
ondersteuning wordt met de komst van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) bij gemeenten gelegd.
Maar
gaat dat wel goed? Is het verantwoord om een grote groep mensen met een vaak
substantiële zorgvraag zelfstandig te laten wonen? Slagen we erin om voldoende
geschikte woningen te bouwen? Kan aan de toenemende vraag naar dienstverlening
worden voldaan? Wordt de samenleving echt de warme omgeving die ouderen nodig
hebben om ook bij een toenemende zorgvraag een acceptabele oude dag te beleven?
Kunnen de mantelzorgers het beroep op hun inzet
waarmaken? En wat gebeurt er met al die ouderen die aan dementie lijden en niet
meer in het verpleeghuis terecht kunnen maar zich – met hulp - moeten zien te
redden in kleinschalige woonvoorzieningen?
En
als laatste, maar zeker niet minst belangrijke vraag: wat vinden de mensen die
het betreft er zelf van?
Dit
artikel schetst een beeld van de stand van zaken rond het scheiden van wonen en
zorg en de gevolgen die dit de komende jaren zal hebben.
Vergrijzing
Nederland heeft op dit moment ongeveer 4 miljoen 55-plussers, zo’n 25% van de totale bevolking. De verwachting is dat de
omvang van deze groep sterk zal toenemen in de komende jaren, terwijl de groep
jonger dan 55 jaar gelijk zal blijven. De verwachte groei van het aantal
55-plussers is meer dan 2% per jaar, bijna 100.000 personen per jaar.
De
groep die veel gebruikmaakt van de voorzieningen op het gebied van wonen, zorg
en welzijn neemt dus sterk toe. In 2010 is het verwachte aantal 55-plussers 1
miljoen groter dan nu en komt uit op 4,7 miljoen personen.
De
personen ouder dan 75 jaar zijn de grootgebruikers van de genoemde diensten.
Deze groep bestaat op dit moment uit ongeveer 1
miljoen personen, zo’n 6% van de totale bevolking. De verwachte groei van het
aantal 75-plussers is de komende jaren echter minder sterk dan die van de
55-plussers: 1,5% per jaar. Ieder jaar neemt het aantal 75-plussers toe met 16
duizend personen. Naar verwachting zijn er in 2010 bijna 1,2 miljoen
75-plussers.
Een
extra complicerende factor hierbij is de verwachte toename van het aantal
mensen met dementie, een groep voor wie zelfstandig wonen – voorzichtig gezegd
– vaak moeilijk haalbaar is, ook met een ruimhartige toepassing van slimme
technologie in huizen (domotica) en verschillende
vormen van zorg. De omvang van deze groep zal van ongeveer 180.000 op dit
moment toenemen naar zo’n 350.000 personen in 2030.
Kleinschalige woonvormen moeten voor deze groep de oplossing gaan vormen. De
verwachting is dat als gevolg van de vergrijzing de zorgvraag tot het jaar 2015
met ongeveer 2% per jaar gaat groeien. Minder intramurale zorgvoorzieningen
voor een veel grotere groep is dus de opgave voor de toekomst.
Extramuralisering van de zorg
Extramuralisering van zorgvoorzieningen is al een
aantal jaren aan de gang, niet alleen in de gehandicapten- en GGZ-sector, maar ook in de ouderenzorg. Ik beperk mij hier
tot de ouderenzorg.
Om
een beeld te geven van de situatie: op dit moment zijn er in de ouderenzorg
ongeveer 168.000 intramurale plaatsen: 108.000 in
verzorgingshuizen en 60.000
in verpleeghuizen. Volgens het in 2002 gepubliceerde en
door de sector algemeen omhelsde STAGG-scenario1 zal
de capaciteit van de intramurale voorzieningen tot in het jaar 2015 fors
afnemen. Het aantal plaatsen in verzorgingshuizen zal met 75% afnemen, voor
verpleeghuizen wordt gerekend met een afname van 33%. Als je dit scenario
doorrekent zou dit betekenen dat er in 2015 nog 27.000 plaatsen bestaan in
verzorgingshuizen en iets meer dan 40.000 in verpleeghuizen. Het STAGG-scenario gaat uit van een tamelijk onbelemmerde
toename van de extramuralisering. Er zijn ook andere
scenario’s opgesteld, die uitgaan van een wat behoudender tempo.2 Zo houdt een
scenario van het College Bouw Ziekenhuisvoorzieningen rekening met een afname
van 45% voor de huidige verzorgingshuisplaatsen en een afname van 0% voor
verpleeghuisplaatsen. De brancheorganisatie Arcares
hanteert een scenario waarin rekening wordt gehouden met een afname van 50%
voor verzorgingshuizen en 22% voor verpleeghuizen.3
Hoe
de getallen ook precies zijn – dat in de toekomst aanzienlijk minder mensen dan
nu in een intramurale setting zullen worden opgenomen, lijkt geen punt van
discussie meer. De grote vraag blijft alleen in welk tempo de
oude voorzieningenstructuur kan worden omgezet van intramuraal naar
extramuraal, zonder dat er afbreuk wordt gedaan aan de kwaliteit van het
aanbod.
Het
vormen van woonzorgzones (soms ook woonservicezones of servicewijken genoemd) zou het gat
moeten vullen dat ontstaat door deze ingrijpende extramuralisering
van de zorg. In de woonzorgzone zijn optimale
condities geschapen voor wonen met zorg, tot en met niet-planbare
24-uurs zorg, aangevuld met dienstverlening. Samen met andere groepen
zorgvragers kunnen ouderen daar terecht in hun aangepaste woning, gewoon
zelfstandig en midden in de maatschappij. In veel gemeenten wordt hard gewerkt
aan het inrichten van woonzorgzones. Er zijn in het
land ook al een aantal voorbeelden te vinden van goed functionerende woonzorgzones, maar er is nog veel werk te verzetten om de
ambitieuze doelstellingen voor extramuralisering van
zorg waar te maken.
Uit
een recent onderzoek van het Sociaal en Cultureel Planbureau, waarbij in vijf
gemeenten in Nederland is onderzocht welke knelpunten zich voordoen bij de extramuralisering van de zorg4 blijkt dat er sprake is van
een moeizaam veranderingsproces. De vijf onderzochte gemeenten voldoen niet volledig
aan de voorwaarden die gesteld kunnen worden aan de vermaatschappelijking van
zorg. Nergens werd een integraal voorzieningenaanbod gevonden dat voor alle
mensen met beperkingen openstaat. De samenwerking beperkt zich veelal tot
bilaterale contacten of tijdelijke projecten. De invloed van zorgvragers is –
zowel in de ogen van belangenbehartigers als van de aanbieders en lokale
overheden – beperkt en de lokale overheid speelt slechts een zeer bescheiden
rol in de totstandkoming van het voorzieningenaanbod. Wel bleek uit dit
onderzoek dat de informele steunstructuur (vrijwilligers/mantelzorg) een zeer
substantiële bijdrage levert aan de zorg voor en ondersteuning aan kwetsbare
mensen.
Het
haperen van de samenwerking die nodig is om een integraal aanbod op wijk- of
buurtniveau te ontwikkelen is niet het enige knelpunt. Ook de materiële
voorwaarden zijn een belangrijke factor. Intramurale instellingen willen hun
zorg wel buiten de muren brengen, maar hun ambities worden ingeperkt door het
tempo van de woningbouwproductie van zelfstandige ouderenwoningen en de
beperkte ruimte waar die woningen kunnen worden gebouwd.
En
ten slotte ligt er het nog steeds niet opgeloste probleem van de boekwaarde van
de gebouwen: een verzorgingshuis voldoet misschien niet meer aan de eisen van
deze tijd, het gebouw kan toch nog een aanzienlijke boekwaarde hebben. Een
verbouwing tot zelfstandige wooneenheden is niet in alle gevallen mogelijk, en
andere bestemmingen voor zo’n specifiek gebouw zijn
niet altijd makkelijk te vinden.
Er
lijkt dus nog een lange weg te gaan voordat we kunnen spreken van een geslaagde
operatie waarbij de zorg buiten de muren van het verzorgings-
en verpleeghuis wordt gebracht.
Rol
van de gemeente: de Wet maatschappelijke ondersteuning
Met de invoering van de Wmo, naar verwacht in juli
2006, worden gemeenten verantwoordelijk voor de maatschappelijke ondersteuning,
en daarmee krijgen ze ook een belangrijke rol bij de extramuralisering
van zorgvoorzieningen. Samenhangend beleid om participatie van burgers mogelijk
te maken en te bevorderen, uitgevoerd dicht bij de burger door een daartoe goed
toegeruste gemeente, is het belangrijkste oogmerk van dit
wetsvoorstel.5
Maar
de Wmo is ook een instrument om ervoor te zorgen dat
de kosten van de AWBZ niet uit de hand lopen; de uitgaven hiervoor zijn
gestegen van ? 13 miljard in 1999 naar ruim ? 20 miljard in 2004. Zonder ingrijpen in het bestaande
beleid zouden de kosten door de vergrijzing de komende jaren tot een
onaanvaardbare hoogte stijgen. Eigen verantwoordelijkheid van burgers en een
groter beroep op de sociale omgeving zijn twee belangrijke elementen uit de Wmo.
De
Wmo wordt gefaseerd ingevoerd, de huishoudelijke hulp
en het verstrekken van informatie aan burgers over voorzieningen op het gebied
van wonen, welzijn en zorg zijn de eerste taken die worden overgeheveld naar
gemeenten. Uiteindelijk is het de bedoeling dat de Wmo
een veel bredere werking krijgt. Ook ondersteuning van mantelzorgers
en vrijwilligers, de openbare geestelijke gezondheidszorg, maatschappelijke
opvang en preventief jeugdbeleid komen onder de werking van de Wmo te vallen.
De
grote vraag hierbij is of gemeenten erin zullen slagen deze maatschappelijke
ondersteuning op een efficiënte en goede manier te organiseren en of zij de
regierol die van hen wordt verwacht bij de extramuralisering
van zorgvoorzieningen kunnen waarmaken.
Het
lijkt logisch om de verantwoordelijkheid bij gemeenten neer te leggen. Zij
staan immers dichter bij de burgers dan de rijksoverheid. Maar de Wmo vraagt wel veel van de kennis en kunde van gemeenten.
Vooral voor de kleinere gemeenten kan dit nog wel eens problemen opleveren. Er
wordt dan ook gepleit voor regionale samenwerkingsverbanden tussen gemeenten.
In de praktijk hebben veel gemeenten deze weg ook al ingeslagen.
Woonvoorzieningen
Kiezen voor een verregaande extramuralisering van
zorgvoorzieningen voor ouderen betekent dat er voor die groep gebouwd moet
worden. De rijksoverheid heeft kwantitatieve doelen voor wonen, zorg en welzijn
gesteld.6 Op dit moment bestaat er landelijk een tekort van 41.000 nultredenwoningen.
De
stijgende vraag naar geschikte woningen is het gevolg van de vergrijzing, de
toenemende extramuralisering en de wens om het
bestaande tekort in te lopen. Om aan de vraag te voldoen zouden er tot 2015 een kleine vierhonderdduizend woningen gerealiseerd moeten
worden, deels door nieuwbouw, deels door aanpassing van de bestaande voorraad.7
De
opgave is een grootschalige transformatie van bestaande verzorgings-
en verpleeghuizen en de realisatie van zelfstandige woningen met zorg buiten de
muren. Variatie in het woningaanbod is daarbij een belangrijk aandachtspunt:
een deel van de toekomstige generatie heeft meer financiële draagkracht dan de
huidige en heeft dan ook andere opvattingen over wat een geschikte woning is.
De groeiende groep mobiele, ondernemende en kapitaalkrachtige ouderen kan een
nieuw segment op de woningmarkt gaan vormen. Het karakter van de woningvoorraad
moet aangepast worden aan de veranderende bevolkingssamenstelling.
Het
uit de Verenigde Staten afkomstige idee van de seniorenstad (Sun City in Florida, een stad
exclusief voor senioren met ongeveer 41.000 inwoners en een gemiddelde leeftijd
van 78 jaar) staat ook in Nederland in de belangstelling. Er bestaan in
verschillende gemeenten (o.a. Zwijndrecht en Boxmeer)
plannen om seniorenwijken te bouwen: forse aantallen koopwoningen met een
multifunctioneel centrum in een parkachtige omgeving. Of dit de gewenste
oplossing is moeten de ouderen zelf maar uitmaken; in elk geval voelt een deel
van hen zich aangesproken door dergelijke plannen.
Daarnaast
is er nog veel te winnen door aanpassing van woningen waar mensen nu al in
wonen. Woonomgeving, het gevoel van veiligheid en het netwerk dat is opgebouwd
in de buurt zijn voor ouderen vaak doorslaggevende argumenten bij het nemen van
een besluit over een verhuizing. Een oudere die in een prettig huis woont in
een prettige woonomgeving zal eerder kiezen voor
aanpassingen in huis dan voor een nieuwe start in een
geschikte woning in een nieuwe omgeving, met alle onzekerheden die dit met zich
meebrengt.
Leveranciers
en financiering van de zorg
Jaarlijks maken in Nederland gemiddeld 420.000 mensen gebruik van zorg thuis.
Het Centrum voor Indicatiestelling Zorg (CIZ) bepaalt of, hoeveel en wat voor
zorg iemand nodig heeft. De meest voorkomende zorgsoorten zijn de enkelvoudige
en meervoudige huishoudelijke verzorging. Enkelvoudige huishoudelijke
verzorging houdt in dat de cliënt uitsluitend hulp in de huishouding krijgt.
Van meervoudige huishoudelijke verzorging is sprake als de cliënt zowel
huishoudelijke verzorging als andere vormen van zorg ontvangt, zoals
persoonlijke verzorging; ondersteunende en activerende begeleiding;
dagbesteding; en/of verpleging en behandeling. Zorg thuis wordt geboden door
zowel thuisorganisaties als door verpleeg- en verzorgingshuizen.
Zorg
thuis wordt op dit moment gefinancierd vanuit de AWBZ. Naast zorg in natura kunnen cliënten ook kiezen voor een persoonsgebonden
budget. Ze krijgen dan zelf de beschikking over een bedrag waarmee ze de
benodigde (en geïndiceerde) zorg kunnen inkopen bij de door hen gewenste
aanbieder.
De
huishoudelijke verzorging, ondersteunende en activerende begeleiding en
dagbesteding worden gefaseerd overgeheveld naar de Wmo.
Persoonlijke verzorging, behandeling en verpleging blijven in de AWBZ. De
enkelvoudige huishoudelijke verzorging gaat als eerste over naar de Wmo (per 1 juli 2006); mogelijk gaat ook al de meervoudige
huishoudelijke verzorging tegelijk over naar de Wmo.
Onlangs
zijn in acht gemeenten als voorbereiding op de Wmo pilots uitgevoerd waarin onder meer is bekeken of ook de
meervoudige huishoudelijke verzorging direct bij de start van de Wmo naar gemeenten overgeheveld kon worden.8 In zes van de
acht deelnemende gemeenten is de pilot
in voldoende mate geslaagd. Staatssecretaris Ross van VWS heeft al laten weten
een voorstander te zijn van het overhevelen van de gehele huishoudelijke zorg
naar gemeenten.
Zorg
thuis wordt geboden in zowel een intramurale als extramurale setting. Aanbieders
kunnen zowel intramuraal als extramuraal opereren. Een thuiszorginstelling kan
zorg leveren aan bewoners van een verzorgingshuis, en andersom kan ook een
intramurale organisatie zorg thuis leveren.
Een
verdergaande extramuralisering van de zorg lijkt wat
dit betreft geen probleem te zijn. Het knelpunt ligt vooral in de samenwerking
die nodig is om te komen tot een integraal aanbod. Ik kom hier later in het
artikel op terug.
Het
toepassen van domotica is een terrein waar in
Nederland nog veel vooruitgang te boeken is. Niet als vervanger van zorg thuis,
maar wel als een goede en zinvolle aanvulling daarop.
Welzijnsdiensten
Extramuralisering van zorg leidt tot een groter
beroep op welzijnsdiensten. En een tekort aan welzijnsdiensten voor ouderen die
in een extramurale setting zorg ontvangen leidt vaak tot een grotere zorgvraag.
Op
grond van de Welzijnswet zijn nu gemeenten verantwoordelijk voor het
ouderenbeleid. Naast een algemeen welzijnsbeleid voor alle inwoners, voeren
gemeenten beleid ter ondersteuning van specifieke groepen inwoners die op
zorg-, hulp- of dienstverlening zijn aangewezen, zoals ouderen, chronisch
zieken en mensen met een handicap. Gemeenten bepalen zelf de vorm, de inhoud en
het budget dat aan welzijn besteed wordt. De financiering van het
welzijnsbeleid loopt via het gemeentefonds.
De
uitvoering van het welzijnsbeleid is in handen van door de gemeenten
gesubsidieerde stichtingen Welzijn Ouderen, Gecoördineerd ouderenwerk of
sociaal-culturele centra.
Onder
welzijnsdiensten worden diensten verstaan als maaltijdvoorziening,
personenalarmering, ouderenadvisering en verschillende activiteiten gericht op
de bevordering van de zelfstandigheid, zelfredzaamheid en participatie van
zelfstandig wonende ouderen. Het kan dan gaan om lichamelijke activiteiten
(zoals meer bewegen voor ouderen), sociale activiteiten (het sociaal-cultureel
centrum), maar ook om vrijwilligerswerk (boodschappen doen, klusjes in en rond
het huis, etc.).
Deze
activiteiten zijn erop gericht te voorkomen dat ouderen, chronisch zieken of
mensen met een handicap in een isolement raken en mede daardoor zorgafhankelijk
worden. Er is geen indicatie nodig om gebruik te kunnen maken van
welzijnsdiensten.
Ook
instellingen voor welzijnswerk krijgen in toenemende mate te maken met de
markt. Andere aanbieders kunnen genoemde diensten ook leveren, en doen dit voor
een deel ook al. De verschuiving in de zorg van intramuraal naar extramuraal
biedt kansen voor welzijn, maar ook bedreigingen. De nieuwe situatie stelt hoge
eisen aan het ondernemerschap van deze welzijnsinstellingen. Zij zullen
bestaande diensten en producten moeten doorlichten en moeten bepalen welke goed
passen binnen de prestatievelden van de Wmo. Belangrijke vragen zijn in dit verband: wat zijn de sterke en
zwakke kanten van het bestaande aanbod, welke nieuwe diensten moeten kunnen
worden ontwikkeld als antwoord op een veranderende vraag? Andere
onderwerpen die aandacht verdienen zijn: de noodzaak kwaliteit te leveren, de
concurrentiewerking, en de mogelijkheid van samenwerkingspartners.
Knelpunten
in de samenwerking
Wonen in een intramurale voorziening betekent dat alles voor je geregeld is: je
woont er, je ontvangt zorg, je hebt te eten en er is een aanbod aan
welzijnsactiviteiten. Al die zaken zijn ook in een extramurale setting te
realiseren. Aangepaste woningen, een toegankelijke en veilige woonomgeving,
diensten en zorg om te halen en te brengen, technische voorzieningen voor
contact met de buitenwereld in geval van nood en een toegankelijke
informatievoorziening: het is allemaal uitvoerbaar. Maar om dit te bereiken
zijn veel verschillende partijen nodig. Woningcorporaties en/of
projectontwikkelaars voor de woningen, zorgaanbieders voor de zorg,
welzijnsaanbieders voor de aanvullende dienstverlening. Gemeentelijke diensten
hebben een rol bij de inrichting van de openbare ruimte, en ten slotte neemt de
gemeente vaak de regierol op zich.
Voorwaarde
is dan dat de verschillende partijen, die elk een deel van dit aanbod voor hun
rekening nemen, met elkaar een samenhangend aanbod leveren en dat één partij de
regie voert. In de praktijk valt dit niet altijd mee: zowel in de wereld van de
corporaties als in die van de zorg is het marktdenken doorgedrongen.
Zonder
externe regisseur is in een tijd van toenemende concurrentie en marktwerking zo’n keten moeilijk (of misschien wel helemaal niet) te
realiseren.9
Verschillen
tussen de aanbieders op de terreinen wonen, zorg en welzijn blijken vaak te
groot om tot een integraal en samenhangend aanbod te komen. Netwerkontwikkeling
komt vaak moeizaam tot stand en samenwerking blijkt zich vaak te beperken tot
bilaterale contacten rond tijdelijke projecten of voorzieningen. In het geval
dat partijen elkaar wel weten te vinden is er vaak sprake van een gelijke
financieringsgrondslag: door de lokale overheid gesubsidieerde instellingen
voor welzijnswerk en de maatschappelijke dienstverlening werken vaker met
elkaar samen dan met de AWBZ gefinancierde zorgaanbieders. Instellingen
verschuilen zich vaak achter regelgeving in plaats van de ruimte te zoeken die
de huidige regelgeving hen biedt.
Mantelzorg
In Nederland zijn op dit moment 1,6 miljoen mensen die voor een ander zorgen.10
750.000 van hen zorgen meer dan acht uur per week en langer dan drie maanden
voor een ander. Tussen de 150.000 en 200.000 mantelzorgers
voelen zich zwaar belast of zelfs overbelast. Dit zijn de mantelzorgers
die haast 24 uur per dag zorg geven. Zij zorgen bijvoorbeeld voor hun dementerende partner. Het aantal mantelzorgers
is de afgelopen jaren stabiel gebleven. Maar omdat de vraag toenam, zijn de
individuele mantelzorgers nu waarschijnlijk zwaarder
belast.
De
belasting van mantelzorgers zal in de komende jaren
alleen maar groter worden. In de memorie van toelichting bij de Wmo wordt gesteld dat de historisch gegroeide
vanzelfsprekendheden in zorg en ondersteuning ter discussie worden gesteld en
dat er daarbij een groter beroep wordt gedaan op de eigen draagkracht van
burgers.11 Met het wetsvoorstel wil de regering stimuleren dat mensen, die dat
kunnen, meer dan nu het geval is, zelf oplossingen bedenken in de eigen sociale
omgeving voor problemen die zich voordoen. Aan gemeenten wordt de taak
toebedacht om een samenhangend stelsel van ondersteuning te ontwerpen voor
burgers die niet goed in staat zijn in bepaalde situaties zelf of samen met
anderen oplossingen te realiseren. De volgorde is dan: eerst zoek je zelf een
oplossing, als dat niet lukt doe je dit samen met je sociale omgeving (mantelzorg
is daarvan een belangrijk onderdeel) en ten slotte is daar dan nog de gemeente
om bij aan te kloppen.
In
feite is inschakeling van mantelzorg nu al geformaliseerd in de regels. Bij de
indicatiestelling voor zorg en ondersteuning gebruiken de centra voor
Indicatiestelling Zorg nu het protocol ‘gebruikelijke zorg’. Daarin is geregeld
dat iemand die samenwoont met een persoon die huishoudelijke verzorging nodig
heeft die zorg zelf moet leveren. Ook moet de gezonde huisgenoot de
persoonlijke verzorging op zich nemen als die niet langer dan drie maanden
nodig is.
Natuurlijk
speelt de mantelzorg in een intramurale setting ook vaak een belangrijke rol.
Maar het is niet moeilijk te bedenken dat bij het langer zelfstandig wonen van
mensen met een zorgvraag het beroep op mantelzorg groter wordt en het gevaar
van overbelasting van de mantelzorgers toeneemt.
Daarbij
komt dan nog dat de huidige generatie door de afbouw van prepensioen- en
VUT-regelingen langer zal moeten doorwerken. Er worden wel regelingen ontwikkeld
die het verlenen van zorg vanuit een betaalde baan faciliteren
(bijvoorbeeld zorgverlof en de nieuwe levensloopregeling), maar hier valt nog
wel het een en ander te verbeteren.
Ondersteuning
van mantelzorgers zou in de nieuwe Wmo geregeld moeten worden, maar daarvoor moeten eerst een
aantal minimumeisen worden vastgelegd. Het gaat daarbij vooral om afspraken
over een steun- en informatiepunt, en respijtzorg, waardoor de mantelzorger tijdelijk ontlast kan worden.
Verschillende
woonwormen: wat vindt de oudere zelf?
De situatie in de intramurale sector is niet rooskleurig. Het College Bouw
Ziekenhuisvoorzieningen inspecteerde het afgelopen jaar bijna 1.400
instellingen waar 126.500 senioren wonen.12 De gebouwkwaliteit van
verzorgingshuizen is voor eenderde goed, voor een kwart matig en voor 36%
slecht. Verpleeghuizen doen het wat beter: bijna de helft scoort goed, een
kwart matig en 28% slecht. De technische staat van de gebouwen is goed. Het
college constateert dat tweederde van de ouderen in verzorgingshuizen in een
kamer woont die onder de maat is. Een kwart van de bewoners van
verzorgingshuizen leeft in een kamer kleiner dan de voorgeschreven 24 vierkante meter.
Betreft het nieuwbouw dan moet de woning zelfs 45 vierkante meter
zijn. Op ’een dergelijke oppervlakte woont slechts tien procent van de bewoners
van verzorgingshuizen. Hoe ouder en groter het huis, des te slechter wonen de
senioren er.
In
de geïnspecteerde verpleeghuizen – waar ongeveer 44.000 ouderen wonen die veel
zorg nodig hebben – is de situatie niet veel beter. De basiskwaliteitsnorm van
minimaal één badkamer op vier bewoners, wordt voor zestig procent van de
ouderen niet gehaald. Ook is de kamer van eenderde van de bewoners zo krap dat
de ruimte voor het personeel om te assisteren ‘minder is dan minimaal
noodzakelijk’, aldus het rapport.
Meer
dan de helft van de woningen in verpleeghuizen voldoet niet aan de minimale
kwaliteitseisen. Badkamers en wc's zijn te krap voor rolstoelen en er is
onvoldoende ruimte voor verzorgend personeel. De toiletten zijn te klein voor
een rolstoel en in de liften past geen brancard.
Zestig
procent van de verpleeghuisbewoners moet de badkamer en wc delen met meer dan
vier anderen. Het aantal appartementen voor meer dan twee personen daalt wel.
Bijna 85 procent van de verpleeghuisbewoners heeft een één- of
tweepersoonskamer. Maar nog altijd zijn er 170.000 senioren die op een meerpersoonskamer wonen.
In
reactie op dit onderzoek heeft Staatssecretaris Ross laten weten tot 2007 35
miljoen euro extra uit te trekken voor de verbouwing van verzorgingshuizen en
40 miljoen euro voor de renovatie van verpleeghuizen.13
Bewoners
van verzorgingshuizen zijn aanmerkelijk beter te spreken over de zorg en
dienstverlening dan bewoners van verpleeghuizen. Dat blijkt uit onderzoek van
de stichting Cliënt & Kwaliteit.14 Hierbij hebben ruim 10.000 bewoners of
contactpersonen van 322 instellingen hun mening gegeven over de zorg en
dienstverlening in verzorgings- en verpleeghuizen. In
de tevredenheid van de bewoners over de afzonderlijke instellingen blijken
beduidende verschillen te bestaan. Uit de onderzoeksresultaten blijkt tevens
dat er veel verschil zit in de waardering van de bewoners voor
verzorgingshuizen en voor verpleeghuizen.
Het
ligt voor de hand om te veronderstellen dat het voor verpleeghuizen moeilijker
is om het de bewoners naar de zin te maken, omdat bewoners van verpleeghuizen
veel zwaarder zorgbehoevend zijn dan bewoners van
verzorgingshuizen. Die verklaring lijkt geen hout te snijden, blijkt uit een
verkennend vervolgonderzoek van Cliënt & Kwaliteit. Ook de mensen die in
een verzorgingshuis aangewezen zijn op verpleeghuiszorg, zijn positiever in hun
oordeel dan de bewoners van het verpleeghuis.
De
verpleeg- en verzorgingshuizen hebben inmiddels zelf
gereageerd op de aanhoudende stroom publicaties over de kwaliteit van de
geleverde zorg. Een jaarlijkse kwaliteitsmeting, uitgevoerd door de Inspectie
voor de Gezondheidszorg, moet ervoor zorgen dat bewoners en hun familie kunnen
beoordelen of de tehuizen goede zorg verlenen. Alle informatie komt beschikbaar
via de website www. kiesbeter.nl. Medewerking aan de
kwaliteitsmeting is niet vrijblijvend: verzekeraars kunnen niet verplicht
worden een contract af te sluiten met instellingen die weigeren mee te werken
aan de openbaarmaking van de zorgkwaliteit.
En
hoe zit het met de bewoners van de nieuwe zelfstandige woonzorgvormen? Onlangs
is een onderzoek gepubliceerd dat is uitgevoerd bij bewoners van zes
woonzorgcomplexen, verspreid over het land, die worden gezien als koplopers in
de extramuralisering van de zorg.15 Uit het onderzoek
wordt duidelijk dat de woonkwaliteit en het wooncomfort in deze
appartementencomplexen veel hoger scoren dan in een instelling mogelijk is.
Mensen wonen in hun eigen woning en voeren zoveel mogelijk de regie over hun
eigen leven. Cliënten blijken het te waarderen dat ze zelfstandig kunnen
blijven wonen en dat ze meer keuzemogelijkheden hebben als de zorg- en
dienstverlening dicht bij huis verkrijgbaar is. De mix van huur- en
koopwoningen in verschillende prijsklassen en het gegeven dat er sprake is van
een gemengde populatie van mensen met en zonder zorgvraag hebben een positief
effect op de sfeer in een woongebouw. Naast de zorg- en dienstverlening in het
appartementencomplex bestaat ook de mogelijkheid om zorg aan huis in de
omgeving van het complex te leveren. En omdat de woonzorgcomplexen ook gewild
blijken bij ouderen met een hoger inkomen, ontstaan mogelijkheden om diensten
te leveren waarvoor geen AWBZ-indicatie nodig is.
De
conclusie van het onderzoek is dat het zelf huren of kopen van een eigen
appartement een positieve bijdrage levert aan het behoud van de zelfstandigheid
van mensen en hen meer mogelijkheden geeft om zelf de regie over het eigen
leven te blijven voeren. Ook kunnen de woonzorgcomplexen zorg- en
dienstverleningsconcepten aanbieden aan belangstellenden in de omgeving van het
complex.
Heimwee
naar het verzorgingshuis?
Betekent dit alles nu dat de dagen van het intramurale verzorgingshuis en het
verpleeghuis zijn geteld? Wonen ouderen in Nederland straks allemaal
zelfstandig? En zal de toekomstige generatie ouderen heimwee krijgen naar het
verzorgingshuis?
In
theorie lijkt een verregaande extramuralisering van
woonzorgvoorzieningen goed uitvoerbaar. In de praktijk blijkt een en ander op
verschillende plekken goed te functioneren.
Of
de grote extramuraliseringsopgave gaat slagen hangt naar mijn idee vooral af van drie factoren. In
de eerste plaats is dat het tempo waarin voldoende geschikte woningen voor
ouderen, met voldoende variatie in prijs en kwaliteit, kunnen worden
opgeleverd. Daarbij zal vooral ook gekeken moeten worden naar de mogelijkheid
om bestaande woningen aan te passen. In de tweede plaats is het vermogen van
aanbieders zorg en welzijn om - soms tegen de stroom in - gezamenlijk
vernieuwende en integrale concepten van zorg- en dienstverlening te ontwikkelen
een kritische succesfactor. En ten slotte is daar de Wmo:
zullen gemeenten erin slagen de hen toebedachte rol van regisseur van een
lokale ondersteuningsstructuur waar te maken?
Op
al deze drie onderdelen moeten nog grote vorderingen worden gemaakt. De omvang
van de opgave is groot, en wellicht zal er nog een lange periode nodig zijn om
hem te volbrengen.
Desondanks
denk ik niet dat ouderen in de nabije toekomst heimwee zullen krijgen naar de
klassieke vorm van het verpleeg- of verzorgingshuis. Maar ik sluit niet uit dat
de ouderen die er niet in slagen een geschikte woning te vinden met daarbij een
pakket aan zorg- en dienstverlening op maat, in de toekomst nog eens zullen
verzuchten: ‘Kon ik nog maar terecht in Huize Avondrood’.
Op
al deze drie onderdelen moeten nog grote vorderingen worden gemaakt. De omvang
van de opgave is groot en mogelijk zal het tempo van extramuralisering
daardoor lager komen te liggen.
Desondanks
denk ik niet dat ouderen in de nabije toekomst massaal heimwee zullen krijgen
naar de klassieke vorm van het verpleeg- of verzorgingshuis. Maar de grote
vraag is of dit ook echt voor alle ouderen gaat gelden. Vooral de groep
financieel zwakkere ouderen zal er niet in alle gevallen in slagen een
geschikte woning te vinden met daarbij een pakket aan zorg- en dienstverlening
op maat. En bij die groep zal in de toekomst heimwee naar Huize Avondrood nog
wel gevoeld worden.