Stade Advies BV

 
Home | Producten | Cursussen | Organisatie | Uitgaven
E-zine St@dium
Eindejaarsuitgave 2009
Eindejaarsuitgave 2007
Eindejaarsuitgave 2006
Eindejaarsuitgave 2005
Inleiding
Reflecties op de verantwoordelijke samenleving
Burgerinitiatief: opvattingen en ervaringen
Met kennis ondernemen
Schaken op drie borden: werken aan kwaliteit van subsidie –en inkooprelaties
De zelfstandige oudere: heimwee naar het verzorgingshuis?
Met alle respect: opgroeien en opvoeden in Nederland
Overige uitgaven
Symposium 250908
        Home > Uitgaven > Eindejaarsuitgave 2005 > De zelfstandige oudere: heimwee naar het verzorgingshuis?        
       

De zelfstandige oudere: heimwee naar het verzorgingshuis?

 

Clemens van Engelen

 

Nederland vergrijst, de zorg gaat extramuraal en het marktdenken rukt op in de wereld van wonen, zorg en welzijn. De groeiende groep ouderen zal zich in de toekomst - nog meer dan nu het geval is - zelfstandig moeten zien te redden. De maatschappelijke ondersteuning die de ouderen hierbij nodig hebben wordt dichter bij de burger georganiseerd. De verantwoordelijkheid voor de ondersteuning wordt met de komst van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) bij gemeenten gelegd.

 

Maar gaat dat wel goed? Is het verantwoord om een grote groep mensen met een vaak substantiële zorgvraag zelfstandig te laten wonen? Slagen we erin om voldoende geschikte woningen te bouwen? Kan aan de toenemende vraag naar dienstverlening worden voldaan? Wordt de samenleving echt de warme omgeving die ouderen nodig hebben om ook bij een toenemende zorgvraag een acceptabele oude dag te beleven? Kunnen de mantelzorgers het beroep op hun inzet waarmaken? En wat gebeurt er met al die ouderen die aan dementie lijden en niet meer in het verpleeghuis terecht kunnen maar zich – met hulp - moeten zien te redden in kleinschalige woonvoorzieningen?

En als laatste, maar zeker niet minst belangrijke vraag: wat vinden de mensen die het betreft er zelf van?

Dit artikel schetst een beeld van de stand van zaken rond het scheiden van wonen en zorg en de gevolgen die dit de komende jaren zal hebben.

 

Vergrijzing
Nederland heeft op dit moment ongeveer 4 miljoen 55-plussers, zo’n 25% van de totale bevolking. De verwachting is dat de omvang van deze groep sterk zal toenemen in de komende jaren, terwijl de groep jonger dan 55 jaar gelijk zal blijven. De verwachte groei van het aantal 55-plussers is meer dan 2% per jaar, bijna 100.000 personen per jaar.

 

De groep die veel gebruikmaakt van de voorzieningen op het gebied van wonen, zorg en welzijn neemt dus sterk toe. In 2010 is het verwachte aantal 55-plussers 1 miljoen groter dan nu en komt uit op 4,7 miljoen personen.

 

De personen ouder dan 75 jaar zijn de grootgebruikers van de genoemde diensten. Deze groep bestaat op dit moment uit ongeveer 1 miljoen personen, zo’n 6% van de totale bevolking. De verwachte groei van het aantal 75-plussers is de komende jaren echter minder sterk dan die van de 55-plussers: 1,5% per jaar. Ieder jaar neemt het aantal 75-plussers toe met 16 duizend personen. Naar verwachting zijn er in 2010 bijna 1,2 miljoen 75-plussers.

 

Een extra complicerende factor hierbij is de verwachte toename van het aantal mensen met dementie, een groep voor wie zelfstandig wonen – voorzichtig gezegd – vaak moeilijk haalbaar is, ook met een ruimhartige toepassing van slimme technologie in huizen (domotica) en verschillende vormen van zorg. De omvang van deze groep zal van ongeveer 180.000 op dit moment toenemen naar zo’n 350.000 personen in 2030. Kleinschalige woonvormen moeten voor deze groep de oplossing gaan vormen. De verwachting is dat als gevolg van de vergrijzing de zorgvraag tot het jaar 2015 met ongeveer 2% per jaar gaat groeien. Minder intramurale zorgvoorzieningen voor een veel grotere groep is dus de opgave voor de toekomst.

 

Extramuralisering van de zorg
Extramuralisering van zorgvoorzieningen is al een aantal jaren aan de gang, niet alleen in de gehandicapten- en GGZ-sector, maar ook in de ouderenzorg. Ik beperk mij hier tot de ouderenzorg.

 

Om een beeld te geven van de situatie: op dit moment zijn er in de ouderenzorg ongeveer 168.000 intramurale plaatsen: 108.000 in verzorgingshuizen en 60.000 in verpleeghuizen. Volgens het in 2002 gepubliceerde en door de sector algemeen omhelsde STAGG-scenario1 zal de capaciteit van de intramurale voorzieningen tot in het jaar 2015 fors afnemen. Het aantal plaatsen in verzorgingshuizen zal met 75% afnemen, voor verpleeghuizen wordt gerekend met een afname van 33%. Als je dit scenario doorrekent zou dit betekenen dat er in 2015 nog 27.000 plaatsen bestaan in verzorgingshuizen en iets meer dan 40.000 in verpleeghuizen. Het STAGG-scenario gaat uit van een tamelijk onbelemmerde toename van de extramuralisering. Er zijn ook andere scenario’s opgesteld, die uitgaan van een wat behoudender tempo.2 Zo houdt een scenario van het College Bouw Ziekenhuisvoorzieningen rekening met een afname van 45% voor de huidige verzorgingshuisplaatsen en een afname van 0% voor verpleeghuisplaatsen. De brancheorganisatie Arcares hanteert een scenario waarin rekening wordt gehouden met een afname van 50% voor verzorgingshuizen en 22% voor verpleeghuizen.3

 

Hoe de getallen ook precies zijn – dat in de toekomst aanzienlijk minder mensen dan nu in een intramurale setting zullen worden opgenomen, lijkt geen punt van discussie meer. De grote vraag blijft alleen in welk tempo de oude voorzieningenstructuur kan worden omgezet van intramuraal naar extramuraal, zonder dat er afbreuk wordt gedaan aan de kwaliteit van het aanbod.

 

Het vormen van woonzorgzones (soms ook woonservicezones of servicewijken genoemd) zou het gat moeten vullen dat ontstaat door deze ingrijpende extramuralisering van de zorg. In de woonzorgzone zijn optimale condities geschapen voor wonen met zorg, tot en met niet-planbare 24-uurs zorg, aangevuld met dienstverlening. Samen met andere groepen zorgvragers kunnen ouderen daar terecht in hun aangepaste woning, gewoon zelfstandig en midden in de maatschappij. In veel gemeenten wordt hard gewerkt aan het inrichten van woonzorgzones. Er zijn in het land ook al een aantal voorbeelden te vinden van goed functionerende woonzorgzones, maar er is nog veel werk te verzetten om de ambitieuze doelstellingen voor extramuralisering van zorg waar te maken.

 

Uit een recent onderzoek van het Sociaal en Cultureel Planbureau, waarbij in vijf gemeenten in Nederland is onderzocht welke knelpunten zich voordoen bij de extramuralisering van de zorg4 blijkt dat er sprake is van een moeizaam veranderingsproces. De vijf onderzochte gemeenten voldoen niet volledig aan de voorwaarden die gesteld kunnen worden aan de vermaatschappelijking van zorg. Nergens werd een integraal voorzieningenaanbod gevonden dat voor alle mensen met beperkingen openstaat. De samenwerking beperkt zich veelal tot bilaterale contacten of tijdelijke projecten. De invloed van zorgvragers is – zowel in de ogen van belangenbehartigers als van de aanbieders en lokale overheden – beperkt en de lokale overheid speelt slechts een zeer bescheiden rol in de totstandkoming van het voorzieningenaanbod. Wel bleek uit dit onderzoek dat de informele steunstructuur (vrijwilligers/mantelzorg) een zeer substantiële bijdrage levert aan de zorg voor en ondersteuning aan kwetsbare mensen.

 

Het haperen van de samenwerking die nodig is om een integraal aanbod op wijk- of buurtniveau te ontwikkelen is niet het enige knelpunt. Ook de materiële voorwaarden zijn een belangrijke factor. Intramurale instellingen willen hun zorg wel buiten de muren brengen, maar hun ambities worden ingeperkt door het tempo van de woningbouwproductie van zelfstandige ouderenwoningen en de beperkte ruimte waar die woningen kunnen worden gebouwd.

 

En ten slotte ligt er het nog steeds niet opgeloste probleem van de boekwaarde van de gebouwen: een verzorgingshuis voldoet misschien niet meer aan de eisen van deze tijd, het gebouw kan toch nog een aanzienlijke boekwaarde hebben. Een verbouwing tot zelfstandige wooneenheden is niet in alle gevallen mogelijk, en andere bestemmingen voor zo’n specifiek gebouw zijn niet altijd makkelijk te vinden.

 

Er lijkt dus nog een lange weg te gaan voordat we kunnen spreken van een geslaagde operatie waarbij de zorg buiten de muren van het verzorgings- en verpleeghuis wordt gebracht.

 

Rol van de gemeente: de Wet maatschappelijke ondersteuning
Met de invoering van de Wmo, naar verwacht in juli 2006, worden gemeenten verantwoordelijk voor de maatschappelijke ondersteuning, en daarmee krijgen ze ook een belangrijke rol bij de extramuralisering van zorgvoorzieningen. Samenhangend beleid om participatie van burgers mogelijk te maken en te bevorderen, uitgevoerd dicht bij de burger door een daartoe goed toegeruste gemeente, is het belangrijkste oogmerk van dit wetsvoorstel.5

 

Maar de Wmo is ook een instrument om ervoor te zorgen dat de kosten van de AWBZ niet uit de hand lopen; de uitgaven hiervoor zijn gestegen van ? 13 miljard in 1999 naar ruim ? 20 miljard in 2004. Zonder ingrijpen in het bestaande beleid zouden de kosten door de vergrijzing de komende jaren tot een onaanvaardbare hoogte stijgen. Eigen verantwoordelijkheid van burgers en een groter beroep op de sociale omgeving zijn twee belangrijke elementen uit de Wmo.

 

De Wmo wordt gefaseerd ingevoerd, de huishoudelijke hulp en het verstrekken van informatie aan burgers over voorzieningen op het gebied van wonen, welzijn en zorg zijn de eerste taken die worden overgeheveld naar gemeenten. Uiteindelijk is het de bedoeling dat de Wmo een veel bredere werking krijgt. Ook ondersteuning van mantelzorgers en vrijwilligers, de openbare geestelijke gezondheidszorg, maatschappelijke opvang en preventief jeugdbeleid komen onder de werking van de Wmo te vallen.

 

De grote vraag hierbij is of gemeenten erin zullen slagen deze maatschappelijke ondersteuning op een efficiënte en goede manier te organiseren en of zij de regierol die van hen wordt verwacht bij de extramuralisering van zorgvoorzieningen kunnen waarmaken.

 

Het lijkt logisch om de verantwoordelijkheid bij gemeenten neer te leggen. Zij staan immers dichter bij de burgers dan de rijksoverheid. Maar de Wmo vraagt wel veel van de kennis en kunde van gemeenten. Vooral voor de kleinere gemeenten kan dit nog wel eens problemen opleveren. Er wordt dan ook gepleit voor regionale samenwerkingsverbanden tussen gemeenten. In de praktijk hebben veel gemeenten deze weg ook al ingeslagen.

 

Woonvoorzieningen
Kiezen voor een verregaande extramuralisering van zorgvoorzieningen voor ouderen betekent dat er voor die groep gebouwd moet worden. De rijksoverheid heeft kwantitatieve doelen voor wonen, zorg en welzijn gesteld.6 Op dit moment bestaat er landelijk een tekort van 41.000 nultredenwoningen.

 

De stijgende vraag naar geschikte woningen is het gevolg van de vergrijzing, de toenemende extramuralisering en de wens om het bestaande tekort in te lopen. Om aan de vraag te voldoen zouden er tot 2015 een kleine vierhonderdduizend woningen gerealiseerd moeten worden, deels door nieuwbouw, deels door aanpassing van de bestaande voorraad.7

 

De opgave is een grootschalige transformatie van bestaande verzorgings- en verpleeghuizen en de realisatie van zelfstandige woningen met zorg buiten de muren. Variatie in het woningaanbod is daarbij een belangrijk aandachtspunt: een deel van de toekomstige generatie heeft meer financiële draagkracht dan de huidige en heeft dan ook andere opvattingen over wat een geschikte woning is. De groeiende groep mobiele, ondernemende en kapitaalkrachtige ouderen kan een nieuw segment op de woningmarkt gaan vormen. Het karakter van de woningvoorraad moet aangepast worden aan de veranderende bevolkingssamenstelling.

 

Het uit de Verenigde Staten afkomstige idee van de seniorenstad (Sun City in Florida, een stad exclusief voor senioren met ongeveer 41.000 inwoners en een gemiddelde leeftijd van 78 jaar) staat ook in Nederland in de belangstelling. Er bestaan in verschillende gemeenten (o.a. Zwijndrecht en Boxmeer) plannen om seniorenwijken te bouwen: forse aantallen koopwoningen met een multifunctioneel centrum in een parkachtige omgeving. Of dit de gewenste oplossing is moeten de ouderen zelf maar uitmaken; in elk geval voelt een deel van hen zich aangesproken door dergelijke plannen.

 

Daarnaast is er nog veel te winnen door aanpassing van woningen waar mensen nu al in wonen. Woonomgeving, het gevoel van veiligheid en het netwerk dat is opgebouwd in de buurt zijn voor ouderen vaak doorslaggevende argumenten bij het nemen van een besluit over een verhuizing. Een oudere die in een prettig huis woont in een prettige woonomgeving zal eerder kiezen voor

aanpassingen in huis dan voor een nieuwe start in een geschikte woning in een nieuwe omgeving, met alle onzekerheden die dit met zich meebrengt.

Leveranciers en financiering van de zorg
Jaarlijks maken in Nederland gemiddeld 420.000 mensen gebruik van zorg thuis. Het Centrum voor Indicatiestelling Zorg (CIZ) bepaalt of, hoeveel en wat voor zorg iemand nodig heeft. De meest voorkomende zorgsoorten zijn de enkelvoudige en meervoudige huishoudelijke verzorging. Enkelvoudige huishoudelijke verzorging houdt in dat de cliënt uitsluitend hulp in de huishouding krijgt. Van meervoudige huishoudelijke verzorging is sprake als de cliënt zowel huishoudelijke verzorging als andere vormen van zorg ontvangt, zoals persoonlijke verzorging; ondersteunende en activerende begeleiding; dagbesteding; en/of verpleging en behandeling. Zorg thuis wordt geboden door zowel thuisorganisaties als door verpleeg- en verzorgingshuizen.

 

Zorg thuis wordt op dit moment gefinancierd vanuit de AWBZ. Naast zorg in natura kunnen cliënten ook kiezen voor een persoonsgebonden budget. Ze krijgen dan zelf de beschikking over een bedrag waarmee ze de benodigde (en geïndiceerde) zorg kunnen inkopen bij de door hen gewenste aanbieder.

 

De huishoudelijke verzorging, ondersteunende en activerende begeleiding en dagbesteding worden gefaseerd overgeheveld naar de Wmo. Persoonlijke verzorging, behandeling en verpleging blijven in de AWBZ. De enkelvoudige huishoudelijke verzorging gaat als eerste over naar de Wmo (per 1 juli 2006); mogelijk gaat ook al de meervoudige huishoudelijke verzorging tegelijk over naar de Wmo.

 

Onlangs zijn in acht gemeenten als voorbereiding op de Wmo pilots uitgevoerd waarin onder meer is bekeken of ook de meervoudige huishoudelijke verzorging direct bij de start van de Wmo naar gemeenten overgeheveld kon worden.8 In zes van de acht deelnemende gemeenten is de pilot in voldoende mate geslaagd. Staatssecretaris Ross van VWS heeft al laten weten een voorstander te zijn van het overhevelen van de gehele huishoudelijke zorg naar gemeenten.

 

Zorg thuis wordt geboden in zowel een intramurale als extramurale setting. Aanbieders kunnen zowel intramuraal als extramuraal opereren. Een thuiszorginstelling kan zorg leveren aan bewoners van een verzorgingshuis, en andersom kan ook een intramurale organisatie zorg thuis leveren.

 

Een verdergaande extramuralisering van de zorg lijkt wat dit betreft geen probleem te zijn. Het knelpunt ligt vooral in de samenwerking die nodig is om te komen tot een integraal aanbod. Ik kom hier later in het artikel op terug.

 

Het toepassen van domotica is een terrein waar in Nederland nog veel vooruitgang te boeken is. Niet als vervanger van zorg thuis, maar wel als een goede en zinvolle aanvulling daarop.

 

Welzijnsdiensten
Extramuralisering van zorg leidt tot een groter beroep op welzijnsdiensten. En een tekort aan welzijnsdiensten voor ouderen die in een extramurale setting zorg ontvangen leidt vaak tot een grotere zorgvraag.

 

Op grond van de Welzijnswet zijn nu gemeenten verantwoordelijk voor het ouderenbeleid. Naast een algemeen welzijnsbeleid voor alle inwoners, voeren gemeenten beleid ter ondersteuning van specifieke groepen inwoners die op zorg-, hulp- of dienstverlening zijn aangewezen, zoals ouderen, chronisch zieken en mensen met een handicap. Gemeenten bepalen zelf de vorm, de inhoud en het budget dat aan welzijn besteed wordt. De financiering van het welzijnsbeleid loopt via het gemeentefonds.

 

De uitvoering van het welzijnsbeleid is in handen van door de gemeenten gesubsidieerde stichtingen Welzijn Ouderen, Gecoördineerd ouderenwerk of sociaal-culturele centra.

 

Onder welzijnsdiensten worden diensten verstaan als maaltijdvoorziening, personenalarmering, ouderenadvisering en verschillende activiteiten gericht op de bevordering van de zelfstandigheid, zelfredzaamheid en participatie van zelfstandig wonende ouderen. Het kan dan gaan om lichamelijke activiteiten (zoals meer bewegen voor ouderen), sociale activiteiten (het sociaal-cultureel centrum), maar ook om vrijwilligerswerk (boodschappen doen, klusjes in en rond het huis, etc.).

 

Deze activiteiten zijn erop gericht te voorkomen dat ouderen, chronisch zieken of mensen met een handicap in een isolement raken en mede daardoor zorgafhankelijk worden. Er is geen indicatie nodig om gebruik te kunnen maken van welzijnsdiensten.

 

Ook instellingen voor welzijnswerk krijgen in toenemende mate te maken met de markt. Andere aanbieders kunnen genoemde diensten ook leveren, en doen dit voor een deel ook al. De verschuiving in de zorg van intramuraal naar extramuraal biedt kansen voor welzijn, maar ook bedreigingen. De nieuwe situatie stelt hoge eisen aan het ondernemerschap van deze welzijnsinstellingen. Zij zullen bestaande diensten en producten moeten doorlichten en moeten bepalen welke goed passen binnen de prestatievelden van de Wmo. Belangrijke vragen zijn in dit verband: wat zijn de sterke en zwakke kanten van het bestaande aanbod, welke nieuwe diensten moeten kunnen worden ontwikkeld als antwoord op een veranderende vraag? Andere onderwerpen die aandacht verdienen zijn: de noodzaak kwaliteit te leveren, de concurrentiewerking, en de mogelijkheid van samenwerkingspartners.

 

Knelpunten in de samenwerking
Wonen in een intramurale voorziening betekent dat alles voor je geregeld is: je woont er, je ontvangt zorg, je hebt te eten en er is een aanbod aan welzijnsactiviteiten. Al die zaken zijn ook in een extramurale setting te realiseren. Aangepaste woningen, een toegankelijke en veilige woonomgeving, diensten en zorg om te halen en te brengen, technische voorzieningen voor contact met de buitenwereld in geval van nood en een toegankelijke informatievoorziening: het is allemaal uitvoerbaar. Maar om dit te bereiken zijn veel verschillende partijen nodig. Woningcorporaties en/of projectontwikkelaars voor de woningen, zorgaanbieders voor de zorg, welzijnsaanbieders voor de aanvullende dienstverlening. Gemeentelijke diensten hebben een rol bij de inrichting van de openbare ruimte, en ten slotte neemt de gemeente vaak de regierol op zich.

 

Voorwaarde is dan dat de verschillende partijen, die elk een deel van dit aanbod voor hun rekening nemen, met elkaar een samenhangend aanbod leveren en dat één partij de regie voert. In de praktijk valt dit niet altijd mee: zowel in de wereld van de corporaties als in die van de zorg is het marktdenken doorgedrongen.

 

Zonder externe regisseur is in een tijd van toenemende concurrentie en marktwerking zo’n keten moeilijk (of misschien wel helemaal niet) te realiseren.9

 

Verschillen tussen de aanbieders op de terreinen wonen, zorg en welzijn blijken vaak te groot om tot een integraal en samenhangend aanbod te komen. Netwerkontwikkeling komt vaak moeizaam tot stand en samenwerking blijkt zich vaak te beperken tot bilaterale contacten rond tijdelijke projecten of voorzieningen. In het geval dat partijen elkaar wel weten te vinden is er vaak sprake van een gelijke financieringsgrondslag: door de lokale overheid gesubsidieerde instellingen voor welzijnswerk en de maatschappelijke dienstverlening werken vaker met elkaar samen dan met de AWBZ gefinancierde zorgaanbieders. Instellingen verschuilen zich vaak achter regelgeving in plaats van de ruimte te zoeken die de huidige regelgeving hen biedt.

 

Mantelzorg
In Nederland zijn op dit moment 1,6 miljoen mensen die voor een ander zorgen.10 750.000 van hen zorgen meer dan acht uur per week en langer dan drie maanden voor een ander. Tussen de 150.000 en 200.000 mantelzorgers voelen zich zwaar belast of zelfs overbelast. Dit zijn de mantelzorgers die haast 24 uur per dag zorg geven. Zij zorgen bijvoorbeeld voor hun dementerende partner. Het aantal mantelzorgers is de afgelopen jaren stabiel gebleven. Maar omdat de vraag toenam, zijn de individuele mantelzorgers nu waarschijnlijk zwaarder belast.

 

De belasting van mantelzorgers zal in de komende jaren alleen maar groter worden. In de memorie van toelichting bij de Wmo wordt gesteld dat de historisch gegroeide vanzelfsprekendheden in zorg en ondersteuning ter discussie worden gesteld en dat er daarbij een groter beroep wordt gedaan op de eigen draagkracht van burgers.11 Met het wetsvoorstel wil de regering stimuleren dat mensen, die dat kunnen, meer dan nu het geval is, zelf oplossingen bedenken in de eigen sociale omgeving voor problemen die zich voordoen. Aan gemeenten wordt de taak toebedacht om een samenhangend stelsel van ondersteuning te ontwerpen voor burgers die niet goed in staat zijn in bepaalde situaties zelf of samen met anderen oplossingen te realiseren. De volgorde is dan: eerst zoek je zelf een oplossing, als dat niet lukt doe je dit samen met je sociale omgeving (mantelzorg is daarvan een belangrijk onderdeel) en ten slotte is daar dan nog de gemeente om bij aan te kloppen.

 

In feite is inschakeling van mantelzorg nu al geformaliseerd in de regels. Bij de indicatiestelling voor zorg en ondersteuning gebruiken de centra voor Indicatiestelling Zorg nu het protocol ‘gebruikelijke zorg’. Daarin is geregeld dat iemand die samenwoont met een persoon die huishoudelijke verzorging nodig heeft die zorg zelf moet leveren. Ook moet de gezonde huisgenoot de persoonlijke verzorging op zich nemen als die niet langer dan drie maanden nodig is.

 

Natuurlijk speelt de mantelzorg in een intramurale setting ook vaak een belangrijke rol. Maar het is niet moeilijk te bedenken dat bij het langer zelfstandig wonen van mensen met een zorgvraag het beroep op mantelzorg groter wordt en het gevaar van overbelasting van de mantelzorgers toeneemt.

 

Daarbij komt dan nog dat de huidige generatie door de afbouw van prepensioen- en VUT-regelingen langer zal moeten doorwerken. Er worden wel regelingen ontwikkeld die het verlenen van zorg vanuit een betaalde baan faciliteren (bijvoorbeeld zorgverlof en de nieuwe levensloopregeling), maar hier valt nog wel het een en ander te verbeteren.

 

Ondersteuning van mantelzorgers zou in de nieuwe Wmo geregeld moeten worden, maar daarvoor moeten eerst een aantal minimumeisen worden vastgelegd. Het gaat daarbij vooral om afspraken over een steun- en informatiepunt, en respijtzorg, waardoor de mantelzorger tijdelijk ontlast kan worden.

 

Verschillende woonwormen: wat vindt de oudere zelf?
De situatie in de intramurale sector is niet rooskleurig. Het College Bouw Ziekenhuisvoorzieningen inspecteerde het afgelopen jaar bijna 1.400 instellingen waar 126.500 senioren wonen.12 De gebouwkwaliteit van verzorgingshuizen is voor eenderde goed, voor een kwart matig en voor 36% slecht. Verpleeghuizen doen het wat beter: bijna de helft scoort goed, een kwart matig en 28% slecht. De technische staat van de gebouwen is goed. Het college constateert dat tweederde van de ouderen in verzorgingshuizen in een kamer woont die onder de maat is. Een kwart van de bewoners van verzorgingshuizen leeft in een kamer kleiner dan de voorgeschreven 24 vierkante meter. Betreft het nieuwbouw dan moet de woning zelfs 45 vierkante meter zijn. Op ’een dergelijke oppervlakte woont slechts tien procent van de bewoners van verzorgingshuizen. Hoe ouder en groter het huis, des te slechter wonen de senioren er.

 

In de geïnspecteerde verpleeghuizen – waar ongeveer 44.000 ouderen wonen die veel zorg nodig hebben – is de situatie niet veel beter. De basiskwaliteitsnorm van minimaal één badkamer op vier bewoners, wordt voor zestig procent van de ouderen niet gehaald. Ook is de kamer van eenderde van de bewoners zo krap dat de ruimte voor het personeel om te assisteren ‘minder is dan minimaal noodzakelijk’, aldus het rapport.

 

Meer dan de helft van de woningen in verpleeghuizen voldoet niet aan de minimale kwaliteitseisen. Badkamers en wc's zijn te krap voor rolstoelen en er is onvoldoende ruimte voor verzorgend personeel. De toiletten zijn te klein voor een rolstoel en in de liften past geen brancard.

 

Zestig procent van de verpleeghuisbewoners moet de badkamer en wc delen met meer dan vier anderen. Het aantal appartementen voor meer dan twee personen daalt wel. Bijna 85 procent van de verpleeghuisbewoners heeft een één- of tweepersoonskamer. Maar nog altijd zijn er 170.000 senioren die op een meerpersoonskamer wonen.

 

In reactie op dit onderzoek heeft Staatssecretaris Ross laten weten tot 2007 35 miljoen euro extra uit te trekken voor de verbouwing van verzorgingshuizen en 40 miljoen euro voor de renovatie van verpleeghuizen.13

 

Bewoners van verzorgingshuizen zijn aanmerkelijk beter te spreken over de zorg en dienstverlening dan bewoners van verpleeghuizen. Dat blijkt uit onderzoek van de stichting Cliënt & Kwaliteit.14 Hierbij hebben ruim 10.000 bewoners of contactpersonen van 322 instellingen hun mening gegeven over de zorg en dienstverlening in verzorgings- en verpleeghuizen. In de tevredenheid van de bewoners over de afzonderlijke instellingen blijken beduidende verschillen te bestaan. Uit de onderzoeksresultaten blijkt tevens dat er veel verschil zit in de waardering van de bewoners voor verzorgingshuizen en voor verpleeghuizen.

 

Het ligt voor de hand om te veronderstellen dat het voor verpleeghuizen moeilijker is om het de bewoners naar de zin te maken, omdat bewoners van verpleeghuizen veel zwaarder zorgbehoevend zijn dan bewoners van verzorgingshuizen. Die verklaring lijkt geen hout te snijden, blijkt uit een verkennend vervolgonderzoek van Cliënt & Kwaliteit. Ook de mensen die in een verzorgingshuis aangewezen zijn op verpleeghuiszorg, zijn positiever in hun oordeel dan de bewoners van het verpleeghuis.

 

De verpleeg- en verzorgingshuizen hebben inmiddels zelf gereageerd op de aanhoudende stroom publicaties over de kwaliteit van de geleverde zorg. Een jaarlijkse kwaliteitsmeting, uitgevoerd door de Inspectie voor de Gezondheidszorg, moet ervoor zorgen dat bewoners en hun familie kunnen beoordelen of de tehuizen goede zorg verlenen. Alle informatie komt beschikbaar via de website www. kiesbeter.nl. Medewerking aan de kwaliteitsmeting is niet vrijblijvend: verzekeraars kunnen niet verplicht worden een contract af te sluiten met instellingen die weigeren mee te werken aan de openbaarmaking van de zorgkwaliteit.

 

En hoe zit het met de bewoners van de nieuwe zelfstandige woonzorgvormen? Onlangs is een onderzoek gepubliceerd dat is uitgevoerd bij bewoners van zes woonzorgcomplexen, verspreid over het land, die worden gezien als koplopers in de extramuralisering van de zorg.15 Uit het onderzoek wordt duidelijk dat de woonkwaliteit en het wooncomfort in deze appartementencomplexen veel hoger scoren dan in een instelling mogelijk is. Mensen wonen in hun eigen woning en voeren zoveel mogelijk de regie over hun eigen leven. Cliënten blijken het te waarderen dat ze zelfstandig kunnen blijven wonen en dat ze meer keuzemogelijkheden hebben als de zorg- en dienstverlening dicht bij huis verkrijgbaar is. De mix van huur- en koopwoningen in verschillende prijsklassen en het gegeven dat er sprake is van een gemengde populatie van mensen met en zonder zorgvraag hebben een positief effect op de sfeer in een woongebouw. Naast de zorg- en dienstverlening in het appartementencomplex bestaat ook de mogelijkheid om zorg aan huis in de omgeving van het complex te leveren. En omdat de woonzorgcomplexen ook gewild blijken bij ouderen met een hoger inkomen, ontstaan mogelijkheden om diensten te leveren waarvoor geen AWBZ-indicatie nodig is.

 

De conclusie van het onderzoek is dat het zelf huren of kopen van een eigen appartement een positieve bijdrage levert aan het behoud van de zelfstandigheid van mensen en hen meer mogelijkheden geeft om zelf de regie over het eigen leven te blijven voeren. Ook kunnen de woonzorgcomplexen zorg- en dienstverleningsconcepten aanbieden aan belangstellenden in de omgeving van het complex.

 

Heimwee naar het verzorgingshuis?
Betekent dit alles nu dat de dagen van het intramurale verzorgingshuis en het verpleeghuis zijn geteld? Wonen ouderen in Nederland straks allemaal zelfstandig? En zal de toekomstige generatie ouderen heimwee krijgen naar het verzorgingshuis?

 

In theorie lijkt een verregaande extramuralisering van woonzorgvoorzieningen goed uitvoerbaar. In de praktijk blijkt een en ander op verschillende plekken goed te functioneren.

 

Of de grote extramuraliseringsopgave gaat slagen hangt naar mijn idee vooral af van drie factoren. In de eerste plaats is dat het tempo waarin voldoende geschikte woningen voor ouderen, met voldoende variatie in prijs en kwaliteit, kunnen worden opgeleverd. Daarbij zal vooral ook gekeken moeten worden naar de mogelijkheid om bestaande woningen aan te passen. In de tweede plaats is het vermogen van aanbieders zorg en welzijn om - soms tegen de stroom in - gezamenlijk vernieuwende en integrale concepten van zorg- en dienstverlening te ontwikkelen een kritische succesfactor. En ten slotte is daar de Wmo: zullen gemeenten erin slagen de hen toebedachte rol van regisseur van een lokale ondersteuningsstructuur waar te maken?

 

Op al deze drie onderdelen moeten nog grote vorderingen worden gemaakt. De omvang van de opgave is groot, en wellicht zal er nog een lange periode nodig zijn om hem te volbrengen.

 

Desondanks denk ik niet dat ouderen in de nabije toekomst heimwee zullen krijgen naar de klassieke vorm van het verpleeg- of verzorgingshuis. Maar ik sluit niet uit dat de ouderen die er niet in slagen een geschikte woning te vinden met daarbij een pakket aan zorg- en dienstverlening op maat, in de toekomst nog eens zullen verzuchten: ‘Kon ik nog maar terecht in Huize Avondrood’.

 

Op al deze drie onderdelen moeten nog grote vorderingen worden gemaakt. De omvang van de opgave is groot en mogelijk zal het tempo van extramuralisering daardoor lager komen te liggen.

 

Desondanks denk ik niet dat ouderen in de nabije toekomst massaal heimwee zullen krijgen naar de klassieke vorm van het verpleeg- of verzorgingshuis. Maar de grote vraag is of dit ook echt voor alle ouderen gaat gelden. Vooral de groep financieel zwakkere ouderen zal er niet in alle gevallen in slagen een geschikte woning te vinden met daarbij een pakket aan zorg- en dienstverlening op maat. En bij die groep zal in de toekomst heimwee naar Huize Avondrood nog wel gevoeld worden.

       

Actueel

Analyse 120 coalitieakkoorden
Kerntakendiscussie en sociaal bezuinigen
Training Verslaglegging CJG
Workshop maatschappelijk rendement
Samenwerking Segment Groep en Stade Advies
Cursusoverzicht najaar 2010
Centra voor Jeugd en Gezin
St@dium e-zine September 2010

 

Home  | Print | Site Map | advies@stade.nl