Burgerinitiatief: opvattingen en ervaringen
Drs. Ingrid Horstik
De
inzet van het burgerinitiatief Zwarte Madonna is om de sloopplannen van de
gemeente Den Haag voor de Zwarte Madonna en de gebouwen van de ministeries van
Binnenlandse Zaken en Justitie in te trekken en te vervangen door renovatie. De
opstellers zijn van mening dat de plannen, die zijn gemaakt in een tijd dat de
huizenmarkt op zijn hoogtepunt was, inmiddels zijn
achterhaald. Heroverweging is noodzakelijk omdat de gebouwen nog niet zijn
afgeschreven en de mensen prettig wonen in de Zwarte Madonna. Er zijn 2500
handtekeningen nodig, om het burgerinitiatief op de agenda van de gemeenteraad
van Den Haag te kunnen zetten.
De
gemeente Den Haag is één van de vele gemeenten in Nederland die via een
verordening op het burgerinitiatief initiatieven van burgers willen stimuleren.
De verordening geeft burgers het recht onder bepaalde voorwaarden punten op de
agenda van de gemeenteraad te plaatsen. In dit artikel ga ik in op ervaringen
met en opvattingen over het burgerinitiatief.
Het
begrip burgerinitiatief
Qua terminologie sluit het burgerinitiatief naadloos aan bij de door het
kabinet Balkenende gepropageerde eigen verantwoordelijkheid.1 In de optiek van
de regering is het hernemen van de eigen verantwoordelijkheid door burgers
nodig omdat burgers te weinig gebruikmaken van hun probleemoplossende
vermogens. Er wordt voor de oplossing van problemen te vaak en te snel naar de
overheid gekeken. Dit zou niet zo moeten zijn, omdat burgers vaak beter in
staat zijn dan de overheid om problemen op te lossen. In de visie van de
regering is het daarom geen vrijblijvende zaak of burgers hun
verantwoordelijkheid willen nemen; zij hebben de plicht daartoe.
Ondanks
dit krachtige pleidooi wil het nog niet zo hard met het burgerinitiatief; de
belangstelling onder burgers valt vooralsnog tegen. Uit een begin 2005 gehouden
enquête onder 25 gemeenten en 2 provincies blijkt dat zij samen goed zijn voor
40
burgerinitiatieven.2
s deze tegenvallende animo kenmerkend voor het verantwoordelijkheidsgevoel van
de burger of hebben de eigen verantwoordelijkheid van de burger en het
burgerinitiatief niets met elkaar van doen? De eerste keer dat ik met het woord
burgerinitiatief in aanraking kwam, was in 1982.
In die tijd studeerde ik andragologie en kreeg ik de opdracht om
onderzoek te doen naar de Y-Y beweging die een eeuw
eerder in de Amsterdamse wijk de Pijp had geopereerd. Het theoretische
kader voor het onderzoek vormde een Duits boek met als titel Bürgerinitiativen in der Parteiendemokratie.3 Sinds de
tachtiger jaren is het woord steeds meer ingeburgerd geraakt, en wie vandaag
het woord burgerinitiatief intikt op Google kan enige
uren doorbrengen met het bekijken van de informatie.
Verreweg
de meeste links op Internet verwijzen naar gemeentelijke verordeningen op het
burgerinitiatief. Hoewel precieze gegevens ontbreken, is de inschatting dat
ongeveer de helft van alle gemeenten het burgerinitiatief heeft ingevoerd.4 Het
merendeel van de provincies kent eveneens een dergelijke verordening.
Opmerkelijk is dat de poging om ook op landelijk niveau het burgerinitiatief in
te voeren, het niet heeft gehaald.5 Onder andere het CDA heeft hier
tegengestemd. Het CDA trekt blijkbaar grenzen als het gaat om initiatieven van
burgers. Het is dat de Europese grondwet in de ijskast is gezet, anders hadden we
met de situatie gezeten dat binnen Europa alle overheden behalve de landelijke
overheid, een verordening op het burgerinitiatief kennen.
De
vele verwijzingen naar verordeningen laten ook zien dat het begrip
burgerinitiatief gedeeltelijk is getransformeerd. Waar burgerinitiatief eerst
vooral werd gereserveerd voor initiatieven van het maatschappelijke middenveld,
krijgt het nu ook een politieke dimensie. In dit artikel richten we ons verder
op het burgerinitiatief in het duale bestuur.
Kloof
tussen burgers en politiek
Sinds 2002 is het lokale en provinciale bestuur in Nederland op een andere
wijze georganiseerd dan voorheen door de invoering van het dualistische
stelsel. De essentie van het nieuwe stelsel is dat taken en bevoegdheden van de
gemeenteraad en het college van B&W strikt zijn gescheiden. Voortaan zijn
de colleges verantwoordelijk voor de uitvoering van het beleid terwijl de raad
de kaders aangeeft en controleert of het college de uitvoering goed ter hand
heeft genomen. In het duale stelsel ligt voor de gemeenteraad
en de provinciale staten de nadruk op de volksvertegenwoordigende,
kaderstellende en controlerende rol. Het burgerinitiatief is bedoeld ter
ondersteuning van vooral de volksvertegenwoordigende rol. Het achterliggende
idee is dat de raad op deze manier signalen krijgt uit de samenleving en deze
kan vertalen in concrete voorstellen waarover in de gemeenteraad wordt
besloten. Het verkleinen van de kloof tussen burgers en politiek is dan ook een
veelgehoord argument om het burgerinitiatief in te voeren.
Niet
alle gemeenteraadsleden zijn geporteerd van het burgerinitiatief. Er zijn ook
raadsleden die zelf een heel duidelijke opvatting hebben over de invulling van
het lidmaatschap van de raad en menen dat zij zelf heel goed in staat zijn om
te bepalen wat er besproken moet worden. Eén keer per vier jaar, met de
verkiezingen, mogen kiezers hen op hun inzet en inbreng afrekenen. Als kiezers
dan vinden dat ze het niet goed hebben gedaan, dan blijkt dat wel in de
uitslagen.6
Deze
opvatting over de invulling van het raadslidmaatschap verwijst naar de
achterliggende democratieopvatting, namelijk die van de representatieve
democratie. In een representatieve democratie is de beslissingsmacht
gedelegeerd aan de gekozen vertegenwoordigers.
Representatieve
democratie staat tegenover directe democratie waarbij burgers ook direct zelf
kunnen beslissen over beleidsvoorstellen. Voorbeelden daarvan zijn het
referendum, maar ook bepaalde vormen van interactieve beleidsvorming. Qua
gedachtegoed hoort het burgerinitiatief eerder thuis in een directe democratie
dan in een representatieve democratie. Weliswaar beslissen
burgers niet over de uitkomst van het burgerinitiatief, maar zij krijgen wel
het recht om punten op de agenda van de gemeenteraad of die van de provinciale
staten te plaatsen. Deze uitbreiding van de zeggenschap van burgers kan
tevens een verklaring zijn voor het feit dat slechts de helft van alle
Nederlandse gemeenten een verordening op het burgerinitiatief heeft opgesteld.
Theo van Swol, raadslid voor Gemeentebelangen in de
gemeente Apeldoorn vertelt: ‘In Apeldoorn hebben we geen burgerinitiatief, het
komt hier maar niet van de grond. D66 heeft in de politieke markt gepeild of er
onder raadsleden belangstelling bestond voor invoering van het
burgerinitiatief, maar raadsleden reageerden zeer terughoudend. Men wil de
burger niet echt een andere positie geven en zeker geen zeggenschap over
gelden. Men wil het primaat van de politiek niet op straat leggen. Men maakt
zich ook zorgen over de ruimte voor de burger en het belang van de publieke
zaak, waaronder de zorg voor kwetsbare groepen. Ook angst voor het onbekende speelt een rol.’
Bij
de huidige werking van het representatieve stelsel zijn echter zeker ook
kanttekeningen te plaatsen. In een representatieve democratie ligt sterk de
nadruk op de wijze waarop preferenties van burgers worden vertaald in beleid.
Het is de taak van de gekozen vertegenwoordigers om dit zo goed mogelijk vorm
te geven. Vandaag de dag zijn er twijfels over de
vraag of politieke partijen daar nog wel voldoende toe in staat zijn. Niet voor
niets wordt er voortdurend gesproken over de kloof tussen burgers en politiek.
In
de literatuur worden meerdere redenen genoemd waarom gekozen vertegenwoordigers
minder in staat zijn dan in het verleden om preferenties van burgers in beleid
te vertalen. Gewezen wordt daarbij onder andere op de toenemende inhoudelijke
gelijkenis van politieke partijen onderling in Nederland, het functieverlies
van politieke partijen door een afnemend aantal leden, de onbekendheid met
verkiezingsprogramma’s, waardoor het lang niet zeker is dat mensen ook op
partijen stemmen die hun preferenties het beste vertegenwoordigen, en het feit
dat de vierjarige cyclus van de representatieve democratie geen rekening houdt
met tussentijdse wijzigingen van preferenties. Een voorbeeld van dit laatste is
de Zwarte Madonna.
De
werking van de representatieve democratie kent dus tekortkomingen. Ook vanuit
een meer substantiële visie op democratie waarin democratie een nastrevenswaardig
doel op zich is, is het belangrijk dat burgers betrokken zijn bij
overheidsbeleid en gestimuleerd worden tot activiteiten en mondigheid.
Zo
bezien kan het burgerinitiatief vanuit verschillende invalshoeken zowel een
goede aanvulling zijn op de werking van het huidige stelsel, als een instrument
om de eigen verantwoordelijkheid vorm te geven. Dat maakt benieuwd naar de
wijze waarop gemeenten en provincies omgaan met het stimuleren van
initiatieven, en wat reacties van burgers daarop zijn.
De
invulling van verordeningen
Een willekeurige lezing van een aantal verordeningen op het burgerinitiatief
laat zien dat vrij massaal de modelverordening van de VNG is gevolgd.9
Burgerinitiatief is hier gedefinieerd als de mogelijkheid voor burgers om eigen
voorstellen of onderwerpen op de agenda van de raad te plaatsen, mits aan
procedurele en inhoudelijke vereisten is voldaan. Vervolgens vindt reguliere
besluitvorming plaats. In de toelichting wordt het burgerinitiatief omschreven
als een activiteit van één of meer burgers, gericht op de bevordering van het algemeen belang, met een meerwaarde voor de gemeenschap, die
plaatsvindt in het publieke domein, waarbij de overheid op enig moment een rol
speelt maar waarbij initiatiefnemers geestelijk eigenaar blijven van het
initiatief.
Toch
zien we ook interessante verschillen tussen gemeenten. Dit geldt bijvoorbeeld
voor de gehanteerde leeftijdsgrens om een voorstel of onderwerp te mogen
indienen. In sommige gemeenten moet je ten minste 18
jaar zijn, terwijl andere gemeenten een leeftijdsgrens van 14 jaar hanteren.
Ook
de omschrijving van de inhoud wisselt per gemeente. Soms is een idee voldoende,
een andere keer wordt er een uitgewerkt voorstel verlangd
Het
aantal handtekeningen dat nodig is om een voorstel op de agenda van de
gemeenteraad te zetten, varieert eveneens sterk. Er zijn gemeenten waar 1
handtekening volstaat, terwijl in andere gemeenten 300 of zelfs 1100 of 2500
handtekeningen nodig zijn. In het algemeen neemt het
aantal benodigde handtekeningen toe met het aantal inwoners. Ook zie je dat
gemeenten een onderscheid maken in schaalniveaus. Gaat het onderwerp de hele
stad aan dan zijn meer handtekeningen nodig dan wanneer het een buurt of straat
betreft.
Gemeenten
verschillen bovendien in de afbakening van de onderwerpen waarover burgers wel
en geen initiatief kunnen indienen. Bestaand of recent beleid, personen en
belastingen zijn doorgaans uitgesloten. En uiteraard blijft de raad
beslissingsbevoegd.
Voorbeelden
van initiatieven
Her en der zijn op internet voorbeelden te vinden van
initiatieven die inmiddels door burgers zijn ingediend. Zo hebben burgers in
Amsterdam - Zeeburg een voorstel gedaan voor het plaatsen van kunstzinnige
buurttafels op verschillende plekken in het stadsdeel. De tafels zijn bedoeld
om de ontmoeting tussen bewoners van verschillende culturen en verschillende
leeftijden te stimuleren. Provinciale Staten van Gelderland heeft een verzoek
gehad voor herstel en heropening van het monumentale strandbad in Winterswijk,
terwijl Provinciale Staten van Zeeland een initiatief hebben ontvangen waarin
burgers hun zorg uitspreken over de plannen met betrekking tot de aanleg van
een aantal rijks- en provinciale wegen. Burgers in Coevorden
zijn bezig met het verzamelen van handtekeningen tegen de komst van een
vuilverbrandingsinstallatie. De gemeente Maastricht heeft een voorstel
ontvangen gericht op het erkennen van de overlast van het verkeer in Maastricht
- West. De initiatiefnemers stellen dat het verkeer veel sneller is toegenomen
dan verwacht werd bij het opstellen van het raamplan in 1992. Voor nabijgelegen
woonbuurten betekent dit veel overlast. Ook worden de normen voor
luchtkwaliteit overschreden. De initiatiefnemers vragen de gemeente om
infrastructurele maatregelen om Maastricht - West te ontlasten.
Het
geplaatst krijgen van meer zitbankjes, plantenbakken, of een buurtfeest, zijn
onderwerpen van initiatieven die in een aantal gemeenten zijn ingediend.
Uit
een in maart 2004 door het Instituut voor Publiek en Politiek (IPP) gehouden inventarisatie
blijkt dat de initiatieven vooral betrekking hebben op het terrein van de
ruimtelijke ordening, leefbaarheid en jeugdbeleid.10 Ronald Vis: ‘Dat komt
waarschijnlijk omdat initiatieven op die terreinen het meest gemakkelijk zijn
te bedenken. Inmiddels is onze indruk dat de praktijk
al meer divers is en dat ook meer substantiëlere onderwerpen als
burgerinitiatief worden ingediend. Een mooi voorbeeld is Amersfoort waar
burgers het initiatief hebben genomen om delen van de NS - gebouwen als industrieel
erfgoed te beschouwen. Dit is gelukt, terwijl de NS aanvankelijk het plan had
om alles te slopen. Om de haalbaarheid van het idee te
onderzoeken heeft de raad budget vrij gemaakt en daarmee is het plan gaan
rollen.’
Van
Swol, raadslid voor Gemeentebelangen in Apeldoorn
vindt dat de invulling soms te wensen overlaat: ‘Ik zie elders
dat veel initiatieven betrekking hebben op uitvoeringskwesties: een bankje, het
openhouden van een voorziening, een speeltoestel. Zaken die in het duale
stelsel aan het college van B&W zijn voorbehouden. Naar
mijn idee moet je dit soort zaken niet via de raad laten lopen, maar moet je ze
met het college afhandelen. Als het gaat om een structureel probleem,
lijkt me tussenkomst van de gemeenteraad wel aan de orde.’
Burgerinitiatief
in Alkmaar
Alkmaar heeft sinds een jaar een verordening. In die tijd zijn er al drie
initiatieven ingediend, vertelt Sander Koolen, raadsgriffier in deze gemeente. Dat is een goede
score. De beweegredenen voor een initiatief zijn heel divers. Zo is er een
initiatief geweest om een herdenkingsbos in te richten, voor ouders die een
overleden kind hebben. Dit initiatief is unaniem door de raad overgenomen en
momenteel wordt onderzoek gedaan naar mogelijke locaties voor het
herdenkingsbos. De gemeente heeft al iets op het oog, en Koolen
verwacht dan ook dat dit gerealiseerd gaat worden.
Een
tweede initiatief betreft een voorstel een definitieve beslissing te nemen over
een andere locatie voor een alternatief jongerencentrum. Volgens de
initiatiefnemers moet het initiatief een eind maken aan zeven jaar politiek
gebakkelei over de locatie. Het initiatief is dus nadrukkelijk bedoeld om de
besluitvorming te versnellen. Koolen: ‘het onderwerp
staat in het collegeprogramma maar de afgelopen drie jaar zijn er nog weinig
stappen door het college gezet. Door het initiatief komt de politieke
besluitvorming nu op gang. Afgesproken is dat het college in december met een
aantal locaties komt waarbij ook gekeken is naar zaken als milieu, geluid en
dergelijke.’
Het
derde initiatief is nog kersvers en heeft betrekking op het handhaven van
voorschriften voor zendmasten door de gemeente. Dit initiatief moet nog aan de
gemeenteraad worden voorgelegd.
Koolen: ‘Het burgerinitiatief kost de gemeente niet veel
tijd omdat gekozen is voor een praktische aanpak. Wel is de procedure zo dat
het initiatief altijd voorzien wordt van een advies van het college van B&W
voordat het in de raad behandeld wordt. Dit is ook nodig om het handen en
voeten te geven voor wat betreft omvang, kosten, et cetera.’
Wie
zijn initiatiefnemers?
Onderzoek wijst uit dat burgers vooral actief worden als ze daartoe worden
uitgenodigd: participatie is grotendeels gemobiliseerd gedrag. Met het
introduceren van een verordening op het burgerinitiatief creëren gemeenten dus
meer mogelijkheden voor burgers om te participeren en invloed uit te oefenen op
de agenda. Maar werkt het ook zo? Als er meer mogelijkheden zijn, wordt er dan
ook meer gebruik van gemaakt? En zijn het ook andere mensen die er gebruik van
maken? Of is het een extra mogelijkheid voor de groep die ook anderszins al participeert?
Enkele
uitzonderingen daargelaten, valt de belangstelling vooralsnog tegen. Uit de
door het IPP gehouden inventarisatie blijkt dat de matige interesse vooral een
kwestie is van gebrek aan kennis en informatie. Burgers zijn niet op de hoogte
van het bestaan van de regeling of kunnen niet met de regeling uit de voeten.
Ook raadsleden weten vaak niet wat het burgerinitiatief inhoudt of hoe ze
moeten handelen als een burgerinitiatief wordt ingediend. Het gebrek aan
informatie blijkt ook uit een snelle ronde langs een aantal gemeentelijke
websites. Op grond hiervan kan worden geconstateerd dat er geen prominente
plaats is ingeruimd voor het burgerinitiatief. Doorgaans moet de zoekmachine
eraan te pas komen om een blik te kunnen werpen op een verordening.
De
vraag is ook wie voor de promotie verantwoordelijk is? Een woordvoerder van de
griffie in de gemeente Heerlen: ‘We hebben de regeling voor het
burgerinitiatief sinds oktober 2003. Op dat moment hebben we er veel
ruchtbaarheid aan gegeven: een persbericht, het is op tv geweest en er is een
discussie aan gewijd. Het is niet zo dat we dat elke maand herhalen. Dat moeten
ook de politieke fracties doen. Het burgerinitiatief is er gekomen op
initiatief van één van de fracties. De politici moeten dit onder de aandacht
brengen in hun contacten met burgers.’
Ronald
Vis van het IPP: ‘Mijn stelling is dat raadsleden
slechte ambassadeurs zijn van het burgerinitiatief. Ze zien het nog te vaak als
een concurrentie voor hun eigen positie. Het gevolg
daarvan is dat raadsleden liever initiatieven zelf overnemen in plaats van
burgers op het spoor van het burgerinitiatief te zetten. Ze stellen het dan
zelf in de raadsvergadering aan de orde, maar juist omdat een enkele partij dit
doet, raakt het gepolitiseerd en dat betekent dat het punt meestal niet verder
komt.
En
hoe zit het met de initiatiefnemers? Vis: ‘Wij hebben geen onderzoek gedaan
naar de initiatiefnemers, maar we hebben aan het onderzoek wel de indruk
overgehouden dat een divers publiek deelneemt. Meestal zijn het geen mensen die
direct politieke ervaring hebben, maar wel in de periferie met de politiek te
maken hebben en hebben gehad. Ik denk dan aan mensen die werkzaam zijn of zijn geweest bij maatschappelijke organisaties of
welzijnswerkinstellingen. Het burgerinitiatief brengt die mensen nu steeds
dichter bij de politiek, mensen doen de nodige politieke ervaring op. Van
belang is wel dat het burgerinitiatief van de mensen zelf blijft. Als de
politiek het overneemt dan leren burgers daar verder niets van. Daarom leggen
we ook zo de nadruk op het geestelijk eigendom. We hebben geleerd dat succes en
falen van het burgerinitiatief zeer nauw samenhangt met de wijze waarop de
raadsleden met het burgerinitiatief omgaan. Laten ze het initiatief aan mensen,
of nemen ze het over? We zijn nu zelfs aan het inventariseren welke
capaciteiten mensen nodig hebben om een burgerinitiatief ook te laten slagen.’
De
diversiteit aan initiatiefnemers komt ook uit de voorbeelden van Alkmaar
tevoorschijn. Koolen: ‘Eén initiatief is duidelijk
aan te merken als particulier initiatief. Een persoonlijke gebeurtenis was
aanleiding om tot actie over te gaan. Bij de andere initiatieven zijn wel
“bekenden van de politiek” betrokken. In Amsterdam - Zeeburg is het eerste
burgerinitiatief afkomstig van deelnemers aan een stadsdeelcursus politieke
participatie.’
Is
het burgerinitiatief effectief?
Instrumenten die worden gebruikt om de participatie van de burger in de politiek
te vergroten, blijken niet altijd bijzonder geschikt. Daarvoor hoeven we alleen
maar de traditionele inspraakbijeenkomsten in herinnering te roepen. Hoe staat
het met de effectiviteit van het burgerinitiatief? Een eenduidig antwoord zit
er vooralsnog niet in, daar waar de één erg overtuigd is van de effectiviteit,
stelt de ander vraagtekens. In de ogen van Koolen,
griffier in de gemeente Alkmaar, is het burgerinitiatief effectief: ’Kijk, met
de behandeling van het initiatief voor een locatie voor het jongerencentrum,
lukt het toch om tot twee keer toe vijftig jongeren op de publieke tribune te
krijgen. Jongeren die er anders niet zouden hebben gezeten. Een tweede is dat
het ‘en plein public’ toelichten van het voorstel in aanwezigheid van veel pers,
op een bepaalde manier ook heel dwingend is. Van de publieke opinie gaat veel
druk uit; de politiek is daar gevoelig voor. Ook burgers zien dat dit werkt, en
ze zien dat het beter werkt dan een raadslid schrijven of een gesprek voeren
met de fracties. Koolen heeft de indruk dat de raad
tevreden is. Het lukt op deze manier om nieuwe groepen bij de politiek te
betrekken.’ Ook Vis is overtuigd van de effectiviteit: ‘Als
je er vanuit gaat dat de representatieve democratie moet worden aangevuld met
vormen van directe democratie, en dat vind ik, dan is dit een heel effectieve
methode. Het is ook een effectieve methode als je wilt leren hoe de
politiek werkt. In de cursussen politieke participatie bouwen we nu steevast
als opdracht in dat deelnemers een burgerinitiatief indienen. Als de cursisten
zien hoe de politiek, ambtenarij en bestuurders daarop reageren, dan leren ze
honderd keer meer dan wij aan informatie kunnen overdragen. De andere kant is
dat de effectiviteit in de praktijk nog te vaak doorkruist wordt omdat
raadsleden door burgers aangekaarte punten zelf op de agenda zetten.’
Jelle Hekman, raadsgriffier van de gemeente Emmen, is daarentegen aanzienlijk
sceptischer. Hekman denkt dat er weinig behoefte is aan het burgerinitiatief:
‘De gemeente Emmen heeft sinds een half jaar een
verordening. Tot op heden is er nog geen gebruik van gemaakt. Waarom niet? Twee
redenen zijn van belang. Ten eerste de drempels.’ Hekman meent dat burgers het
al gauw te complex vinden: ‘Alleen al het feit dat je zegt dat je verordening
hebt voor burgerinitiatieven, dan hebben mensen zoiets van “laat
maar.” We hebben een keer een situatie gehad waarin we geprobeerd hebben een
burgerinitiatief te stimuleren. Dit nadat een verzoek om een kunstwerk te
plaatsen was afgewezen. Maar de mensen hebben toch voor een andere, minder
complexe weg gekozen. Een tweede reden is dat uit andere gemeenten blijkt dat
veel initiatieven zich richten op beheer en onderhoud. In Emmen
hebben we daarvoor de 4-tons-pot. Daar kunnen voorstellen voor gedaan worden
die in overleg met ambtenaren worden verder gebracht. Als we dit onder de
noemer van burgerinitiatieven scharen, zouden we op dit moment al zo’n 80 initiatieven hebben.’
Ook
andere gemeenten noemen overlappingen met bestaande participatiemogelijkheden als
oorzaak van een verminderde effectiviteit. Zo stelt men in Amersfoort dat een
reden voor het relatief beperkte gebruik van het recht van burgerinitiatief wel
eens het veelgebruikte spreekrecht voor burgers in commissievergadering zou
kunnen zijn. Burgers hebben in Amersfoort al in een vroeg stadium de
mogelijkheid om vragen te stellen over het gemeentelijk
beleid en/of de uitvoering ervan.
Het
Algemeen Dagblad (AD) laat zich eveneens negatief uit over het burgerinitiatief.
De krant spreekt zelfs van een fiasco. Behalve op het gebrek aan initiatieven,
wijst het AD op het feit dat gemeenteraden achter het burgerinitiatief staan,
maar geen geld hebben om het uit te voeren. Vis vindt dit een overtrokken reactie:
‘De gemeenteraad gaat over zijn eigen begroting en het is helemaal niet zo
ingewikkeld om via een wijziging van de begroting geld vrij te maken voor een
bepaald initiatief,’ aldus Vis.
Burgerinitiatief
provincie Gelderland
De provincie Gelderland kent sinds najaar 2003 een verordening voor het
burgerinitiatief. Voor een initiatief zijn 1500 handtekeningen van
kiesgerechtigden nodig. De provinciale overheid is verantwoordelijk voor een
groot aantal producten. Zij ziet zich geplaatst tegenover een mondige burger
die van de overheid kwaliteit van haar dienstverlening verwacht. Voor de
provincie is dit een belangrijke reden geweest om het burgerinitiatief in te
voeren. De Provinciale Staten vinden het belangrijk een goede relatie met
burgers op te bouwen en meent dat zij daarvoor permanent met burgers in gesprek
dient te zijn.
Tot
op heden hebben Provinciale Staten één burgerinitiatief mogen ontvangen: een
voorstel om het monumentale strandbad in Winterswijk te behouden.
Initiatiefnemer mevrouw Oxener van de Stichting
Behoud Strandbad is door D’66 gewezen op de mogelijkheid een burgerinitiatief
in te dienen.
Het
initiatief heeft indertijd veel publiciteit gekregen. De behandeling van het
voorstel in de Staten verliep echter niet geheel
vlekkeloos, zo valt op te maken uit het provinciale burgerjaarverslag. Hierin
lezen we dat er geleerd is van het burgerinitiatief en dat verwachtingen over
en weer duidelijker moeten worden afgebakend. De grenzen van het instrument
moeten, aldus het jaarverslag, beter in beeld worden gebracht.
Voor de initiatiefnemers pakt de behandeling van het voorstel in de Staten ook
niet uit zoals gewenst. De gevraagde bijdrage om het bad in zijn oude luister
te herstellen, komt er niet. Wel wordt door de Staten toegezegd een aanvraag
voor Europese subsidie welwillend te willen bekijken. Onlangs is echter bekend
geworden dat de provincie negatief heeft geadviseerd over de aanvraag van de
stichting behoud strandbad voor een Europese bijdrage voor het herstel van het
strandbad. Volgens Radio Slingerland is dit de zoveelste poging een breed
gedragen burgerinitiatief om zeep te helpen.
Drempels
voor burgers
Het spreekt vanzelf dat de effectiviteit van het burgerinitiatief ook nauw
samenhangt met de mate waarin er gebruik van wordt gemaakt. Behalve de eerder
genoemde redenen, zou ook het aantal handtekeningen een belemmering kunnen zijn
om een initiatief in te dienen. Het lijkt er althans op dat gemeenten ook zelf
vinden dat dit een mogelijke drempel kan zijn. Zo stelt de gemeente Delft in
haar burgerjaarverslag 2004 dat zij zich realiseert dat het voor burgers
moeilijk kan zijn om het benodigde aantal handtekeningen van 300 bij elkaar te
krijgen.19 De gemeente biedt daarom initiatiefnemers de mogelijkheid om, zodra
zij 100 handtekeningen hebben, het initiatiefvoorstel
te publiceren in de stadskrant. De gemeente Rotterdam is inmiddels,
vanwege het ontbreken van burgerinitiatieven, overgegaan tot een verlaging van
het aantal handtekeningen. Het aantal handtekeningen kan in Amersfoort geen
belemmering zijn. Hier kan één burger al een initiatief indienen. De kwaliteit
van het voorstel wordt belangrijker gevonden dan de representativiteit ervan.
En ook verder gelden er minimale regels. Belangrijkste regel is dat het
initiatief moet gaan over een nieuw onderwerp. Dit kan een globaal idee zijn of
een uitgewerkt voorstel. In de gemeente Zoetermeer
zijn 25 handtekeningen voldoende. Hier krijgen initiatiefnemers bovendien van
de gemeente de beschikking over een werkomgeving die zij als website kunnen
gebruiken. Op de site kunnen de initiatiefnemers hun plan presenteren, een
forum of discussiepagina beginnen. Deze werkomgeving kan gedurende drie maanden
gebruikt worden. Ellen Bos, communicatiemedewerker bij de griffie: ‘Ik heb niet
het idee dat het digitale burgerinitiatief burgers extra stimuleert om
initiatieven in te dienen. We hebben deze voorziening sinds begin 2004 en tot
op heden is er nog maar één keer gebruik van gemaakt. Handmatig ontvangen we
wel meerdere initiatieven. Zo zijn er initiatieven geweest voor het aanleggen
van een natuurspeeltuin, het oprichten van een legale graffity
muur en een speeltuin. Veel zaken op het gebied van leefbaarheid. Mensen vinden
het waarschijnlijk toch makkelijker om langs de deur 25 handtekeningen op te
halen dan via het internet.’ De raad heeft tot op heden één initiatief afgewezen omdat het overduidelijk een
uitvoeringskwestie betrof. Waar precies het onderscheid ligt tussen beleid of
uitvoering is nooit helemaal met een schaartje te knippen, aldus Bart de Leede, raadsgriffier in de gemeente Zoetermeer.
De neiging is ook om initiatieven ontvankelijk te verklaren omdat de
gemeenteraad dit wil stimuleren. De aanleg van een speeltuin, iets wat op
zichzelf binnen het beleid zou kunnen passen is eveneens door de gemeenteraad
behandeld, omdat anders het college had kunnen verwijzen naar het feit dat deze
speeltuin niet in de planning stond opgenomen. De raad wilde dit initiatief wel
honoreren juist omdat de initiatiefnemers ook uitgingen van zelfwerkzaamheid.
Burgerinitiatief
Den Haag
De inzet van het burgerinitiatief Zwarte Madonna is om de sloopplannen van de
gemeente Den Haag voor de Zwarte Madonna en de gebouwen van de ministeries van
Binnenlandse Zaken en Justitie in te trekken en te vervangen door renovatie. De
opstellers zijn van mening dat de plannen, die zijn gemaakt in een tijd dat de
huizenmarkt op zijn hoogtepunt was, inmiddels zijn
achterhaald. Heroverweging is noodzakelijk omdat de gebouwen nog niet zijn
afgeschreven en de mensen prettig wonen in de Zwarte Madonna. Er zijn 2500
handtekeningen nodig om het burgerinitiatief op de agenda van de gemeenteraad
van Den Haag te kunnen zetten. Uiteindelijk halen de initiatiefnemers 2825
handtekeningen op en dienen ze het voorstel in.
Op
20 januari 2005 wordt duidelijk dat D66 en de coalitiepartijen PvdA, CDA en VVD
weigeren om het burgerinitiatief in behandeling te nemen. Gewezen
werd daarbij op twee bepalingen in de verordening, namelijk: 1) Er mogen geen
initiatieven worden ingediend over onderwerpen waarover de raad minder dan 2
jaar voor indiening een besluit heeft genomen; 2) Er mogen geen initiatieven
worden ingediend waartegen een bezwaar en beroepsprocedure heeft opengestaan. Onder
verwijzing naar de vaststelling van het bestemmingsplan Wijnhavenkwartier vond
een meerderheid van de gemeenteraad dat deze bepalingen van toepassing waren.
De initiatiefnemers leggen zich hier niet bij neer en willen desnoods bij de
rechter afdwingen dat hun initiatief wordt behandeld.
Initiatiefnemer
Oscar Dijkhoff: ‘De vraag of het nu wel of geen nieuw
onderwerp is, is het punt van verschil. We zijn van mening dat het een nieuw
onderwerp is, terwijl een meerderheid in de raad dat niet vindt. We raken nu in
een juridische strijd verwikkeld over wat de juiste interpretatie is van “een
nieuw onderwerp”, terwijl politieke motieven ten grondslag liggen aan het
gemeenteraadsbesluit. Indertijd heeft de gemeenteraad met een krappe
meerderheid besloten om de gebouwen te slopen en te vervangen door nieuwbouw,
en daar willen ze nu niet op terugkomen.’
De
initiatiefnemers hebben als eerste beroep aangetekend bij de gemeenteraad tegen
de weigering het initiatief in behandeling te nemen. Onlangs heeft de
gemeenteraad dit beroep afgewezen. Dijkhoff: ‘De
volgende stap is dat we naar de bestuursrechter gaan. We denken dat we zeker
een sterke zaak hebben. Behalve dat er nieuwe feiten zijn, is ook het
bestemmingsplan Wijnhavenkwartier door de Raad van Staten vernietigd. Er zijn
ook andere vergelijkbare burgerinitiatieven die wel ontvankelijk zijn
verklaard. Bijvoorbeeld het initiatief voor een jeugdhonk in Leidseveen / Iepenburg terwijl de
gemeenteraad net daarvoor een hele beleidsnota over dit onderwerp had
aangenomen. Of het initiatief om tot de oprichting van een Haags popmuseum te
komen. Ook dit werd ontvankelijk verklaard terwijl er net besloten was over de
cultuursubsidies. Bovendien is een uitspraak van de rechter wel prettig; het is
natuurlijk ook iets waar nog geen jurisprudentie over is. Als het zo is dat de
ontvankelijkheid van burgerinitiatieven varieert naarmate initiatieven de
gemeenteraad meer of minder welgevallig zijn, dan is het burgerinitiatief in
onze ogen een wassen neus.’
Eigen
verantwoordelijkheid en het burgerinitiatief
En hoe zit het nu met die eigen verantwoordelijkheid van burgers? Doet het
burgerinitiatief hier een beroep op? Past het in een traditie van het vergroten
van de eigen verantwoordelijkheid van burgers? Stimuleert het de eigen
verantwoordelijkheid?
Het
antwoord is: nee, in principe niet. Het burgerinitiatief is toch primair een
instrument om de volksvertegenwoordigende rol van de gemeenteraad te
versterken. En, zoals we hebben gezien, het is nu juist vaak dit instrumentele
denken dat bij raadsleden de boventoon voert. Initiatieven zijn dan alleen
belangrijk in zoverre zij bijdragen aan een betere articulatie van wensen en
voorkeuren. Het gevaar bestaat dat daardoor de nadruk komt te liggen op het
feitelijke besluitvormingsproces en niet op de waarde