Met alle respect
Opgroeien en opvoeden in Nederland
Drs. Lous Brouwer en Albert Veuger
Waarom
lijkt het alsof hedendaagse jeugd zich zoveel minder goed gedraagt dan wij
vroeger? Dat ze steeds brutaler wordt en steeds meer en steeds ernstiger
overlast bezorgt? Hoe komt het dat zo veel jongeren in achterstandswijken
(bijna) crimineel gedrag vertonen, zo duidelijk buiten de grenzen van het
toelaatbare handelen? Hoe komt het dat zoveel jongeren zonder een
startkwalificatie het onderwijs verlaten en hoe komt het dat de wachtlijsten in
de jeugdzorgvoorzieningen alleen maar groter worden?
Wat
gaat er toch mis met de jeugd, met onze jeugd? Of gaat er misschien iets mis
bij ons, bij opvoeders, beleidsmakers, beleidsuitvoerders en politici?
Zou
het kunnen zijn dat kinderen van nu anders, slechter opgevoed worden dan
vroeger, zoals schrijver Thomas Rosenboom (1956)
stelt in zijn Kellendonk- lezing van 14 februari
2005, inmiddels verschenen onder de titel Denkend aan
Holland. Hij stelt dat de kinderen van nu vrij zijn en mondig en zich niet
laten intimideren, zichzelf zijn, maar tegelijkertijd brutaal, ongeduldig,
onbeschaafd en verwend zijn. Dat komt naar zijn idee door hun opvoeding.
Verdwenen is het bescheiden, verlegen kind van vroeger, en ervoor in de plaats
kwam ‘het veeleisende kind, dat niet anders heeft meegemaakt dan aandacht,
speciaal voor hem ingerichte hoeken en honken, en volwassenen die kennelijk
geen ander doel en geen groter geluk kennen dan hem te amuseren en tevreden te
houden’.
Alles
moet leuk zijn opdat het kind zich toch vooral
vermaakt, volgens Rosenboom, waardoor ‘kinderen nooit
meer iets hoeven te doen wat aandacht of geduld kost of wat ze vervelend
vinden. Naar de kerk gaan bijvoorbeeld waar je gewoon uit respect een uur stil
moet zijn, of een stevige boswandeling maken’.
Kinderen
van nu worden in ieder geval anders opgevoed dan vroeger. Wat de VPRO
thema-avond ‘Wat doen we met onze kinderen?’ in het najaar van 2005 vooral liet
zien was de verscheidenheid aan opvoedingsidealen en opvoedingsstijlen waarmee
de jeugd tegenwoordig opgevoed wordt; resultaat van een aantal maatschappelijke
ontwikkelingen van de afgelopen decennia. Waaronder de toename van het aantal
mensen uit andere landen die in opvoedingstermen geleid heeft tot een etnisch
gekleurde invulling van het begrip opvoedingscultuur.
De
vraag of de jeugd er tegenwoordig beter aan toe is dan vroeger is moeilijk te
beantwoorden. Wel geven de meeste jeugdigen aan positief te zijn over hun leven
en weinig emotionele problemen te hebben, zo blijkt uit gegevens van het
Sociaal Cultureel Planbureau (De jeugd in Nederland, enkele cijfers, SCP,
september 2005). Meer dan 90% van de 12 tot 24-jarigen was in 2001
(buitengewoon) tevreden met het leven dat men leidde en 93% zei (zeer) gelukkig
te zijn (CBS 2003). De meeste jeugdigen vinden dat zij een goede relatie hebben
met hun ouders, waarbij jonge tieners doorgaans positiever
zijn over deze relatie dan oudere tieners.
Maar
ondanks deze positieve cijfers over welbevinden is er onzes
inziens toch nog steeds een te grote groep die flinke problemen heeft, zelf
moeilijkheden geeft of de aansluiting met de samenleving dreigt te missen. Deze
jongeren dreigen te marginaliseren en/of te radicaliseren. Zij bepalen vooral
het beeld dat het mis is met de jeugd, met onze jeugd. Zij bepalen mede de
gevoelens van onveiligheid in de samenleving. Maar ze vormen met elkaar ook dat
deel van de jeugd dat gedoemd lijkt de ‘lost generation’
te gaan vormen. Om beide redenen verdienen ze onze aandacht!
Hoe
kunnen we ervoor zorgen dat we niet steeds meer last krijgen van probleemjeugd?
En hoe kunnen we voorkomen dat (te grote aantallen) jeugdigen zich ontwikkelen
tot structurele drop-outs?
Het
is leerzaam om bij de beantwoording van deze vraag te bezien wat
wetenschappelijke inzichten ons te bieden hebben. Het is zinvol om te proberen
wetenschappelijke inzichten te vertalen naar interventies in alledaagse opvoed-
en opgroeipraktijken. In dit artikel gebruiken we onder andere de inzichten van
professor dr. Jo Hermanns
en van professor dr. Micha de Winter, die spreken
over respectievelijk ‘volwassen jeugdbeleid’ en ‘het algemeen
belang als opvoedingsdoel’. Daarnaast gebruiken we de adviezen van Hans Kaldenbach, gericht op het corrigeren van jongeren in de
straatcultuur.
Sociaal-maatschappelijke tendensen
Voor we ingaan op de vraag wat er nodig is om te voorkomen dat probleemgedrag
ontstaat of erger wordt, schetsen we eerst een aantal algemene ontwikkelingen
die van invloed zijn op de opgroeikansen van risicojeugdigen
in Nederland: ieder voor zich; jeugdige emancipatie; verhoogde mentale druk;
toegenomen keuzemogelijkheden; hardere reacties uit de samenleving; andere
aanpak van psychische problemen; negatieve ervaring met hulpverlening.
Ieder
voor zich
Individualisering heeft zich in de samenleving
helemaal vastgebeten. De ‘ieder voor zich’-mentaliteit versterkt mechanismen
die voortkomen uit overlevingsstrategieën. Een overlevingsstrategie heeft als
effect dat voornamelijk kortetermijnbehoeftebevrediging
wordt nagestreefd. De normen en waarden die daarvoor nodig zijn, worden hieraan
aangepast. Er is veel ruimte voor eigen keuzes.
Correcties
omdat je deel uit maakt van een sociale groep, komen steeds minder voor.
Gezamenlijk besef van normen en waarden wordt steeds minder als zodanig
ervaren. Sterk in je schoenen staan is wel een vereiste. Sta je niet sterk, dan
is het verlies van de groep alleen maar een extra probleem. Individualisering
is voor jeugdigen met een zwakke positie alleen maar slecht.
Jeugdige
emancipatie
De jeugd van tegenwoordig is sneller groot. Ze eist sneller dan in het verleden
eigen verantwoordelijkheden op en wordt ook op veel jongere leeftijd
aangesproken op haar gedrag. Waren ouders in het verleden nog heel lang
verantwoordelijk voor de daden van hun kinderen, steeds vaker is dat niet meer
het geval. Op deze manier worden de eisen die aan jeugdigen worden gesteld
hoger. Ook wordt de leeftijd waarop dit gebeurt
langzaam lager. Waar verwachtingspatronen stijgen, vallen diegenen die daaraan
niet kunnen voldoen alleen maar meer buiten de boot.
Verhoogde
mentale druk
In de westerse samenleving wordt de mentale druk op mensen steeds hoger. Steeds
meer en betere prestaties leveren is het uitgangspunt. Een atmosfeer waarin
prestaties omhoog moeten, is voor diegenen voor wie dat niet haalbaar is, een
bedreigende situatie. Tegelijkertijd is er sprake van verzakelijking en
verharding van de samenleving. De commercie is een breed verbreid verschijnsel
geworden. Geld speelt een steeds grotere rol, waardoor het niet hebben van geld
ook belangrijker wordt. Geld krijgt een grotere uitdrukkingswaarde van
motivatie: alles wat je wilt, kost (veel) geld en je moet dus heel hard werken
om alles wat je wilt te kunnen betalen. Dit vraagt om motivatie. Capaciteiten
spelen hierbij echter ook een rol. Een deel van de jeugdigen heeft deze
capaciteiten (nog) niet en is daarmee uitgesloten van een deel van wat er in
het leven allemaal te halen is. Dit vraagt een hoge mate van mentale kracht die
niet iedereen beschikbaar heeft.
Toegenomen keuzemogelijkheden
De tot onze beschikking staande informatie is in de laatste tientallen jaren
enorm veranderd. Door de televisie en computertechnologie is de
globalisering van beschikbare informatie een feit geworden. Dat wat er in het
leven allemaal te halen is, is daardoor ook veel groter geworden. Ook in de
jeugdcultuur heeft dit verstrekkende gevolgen gehad. De veelheid van stijlen,
muziekvormen, carrières en ervaringen levert een onbeperkt arsenaal van
mogelijke wensen en verlangens op. Bovendien wordt het maken van keuzes veel
moeilijker gemaakt wanneer de keuzemogelijkheden zich zo sterk uitbreiden. Er
is inmiddels een bijna eindeloze stroom van informatie
op gang gekomen waarin het individu een weg moet vinden. Ook ouders die hun
kinderen moeten opvoeden hebben daarmee te maken. Waar vroeger het advies van
je directe omgeving of een enkele professional (de huisarts) in het geval van
opvoedingsvraagstukken de leidraad was voor het zoeken naar oplossingen,
bestaat er nu een veelvoud van informatie waaruit zelfs tegenstrijdige adviezen
kunnen worden gehaald. De onzekerheid over de vraag of het goede wordt gedaan
neemt daardoor alleen maar toe. Informatie is de basis voor elke ontwikkeling;
het vraagt in onze huidige samenleving echter wel een grotere rol van het
individu om de beschikbare informatie op een positieve manier te gebruiken.
Hardere
reacties uit de samenleving
Lange tijd heeft het maatschappelijk bestel de groepen die niet mee konden
komen, opgevangen vanuit een genereuze instelling. Diegenen die niet konden
werken, konden rekenen op een coulante behandeling. De sociale zekerheid
groeide lange tijd mee met de ontwikkeling van de welvaart. Welvaart werd
hierdoor ook geboden aan diegenen die langs de kant stonden. In de laatste
vijftien jaren is een kentering opgetreden. De druk werd opgevoerd en de eisen
die werden gesteld namen toe. Voor de mensen die een prikkel nodig hadden om
weer mee te kunnen gaan doen, was deze nieuwe aanpak een hernieuwde start om de
aansluiting bij de samenleving te verkrijgen. Voor diegenen die daarvoor de
capaciteiten niet hebben, is deze nieuwe aanpak een hernieuwde bevestiging van
hun uitsluiting.
Andere
aanpak van psychische problemen
De opstelling van de maatschappij ten opzichte van psychische problematiek is
eveneens veranderd. Werden psychische ‘probleemgevallen’ lange tijd snel achter
dikke deuren opgeborgen, ver weg van de bewoonde wereld, heden
ten dage is gekozen voor het zo lang en zo veel mogelijk zelfstandig
blijven van mensen met psychische problemen. De hulp moet meer ambulant worden
ingericht, wat een goede ontwikkeling is, maar hierdoor kan de hulp voor een
aantal jeugdigen wel erg onbereikbaar worden, waardoor deze te laat kan komen.
Negatieve
ervaringen met hulpverlening
Door de toename van hulpverlening vanaf de jaren zestig zijn de ervaringen
daarmee natuurlijk ook toegenomen. Veel jeugdigen met meervoudige problemen
zijn al vanaf jonge leeftijd geconfronteerd met interventies van volwassenen.
Deze interventies zijn in een aantal gevallen niet goed toegesneden op de
jeugdigen, waardoor een negatieve ervaring ontstaat. In een aantal gevallen
gaat het om emotionele ervaringen, bijvoorbeeld bij uithuisplaatsing. Het zijn
vaak dezelfde groepen jeugdigen die mislukken in de hulpverlening.
Deze
groepen lijken in toenemende mate sceptisch te staan tegenover hulp en ondersteuning.
Het lijkt toch allemaal niet te helpen. De vraag rijst welk effect zorg
eigenlijk heeft? Kunnen we afrekenbare afspraken maken over de resultaten van
werkzaamheden? Aan de ene kant ontstaat er een steeds groter wordende groep
jeugdigen met negatieve verhalen over hulpverlening en anderzijds moet de
hulpverlening zich telkens bewijzen voor diegenen die haar financieren.
De
financieringssystematiek van overheden tendeert in de richting van gerichte
afspraken over de (positieve) effecten van geboden hulp. De hulpverlening
ontwikkelt programma’s en methodieken die hiermee in toenemende mate rekening
houden. Afgerekend worden op de resultaten betekent
een selectie bij de voordeur, met als gevolg dat men cliënten waarmee minder
snel resultaat te behalen valt, kritisch benadert. Zo gaat de drempel voor de
moeilijkste groep met de grootste problemen omhoog.
Ondersteuning
van risicojongeren
Ontwikkelingen in de samenleving hebben hun invloed op de jeugdigen. Een aantal
van bovengenoemde tendensen als individualisering, toename van de mentale druk,
hardere reacties naar jeugd vanuit de samenleving, zijn allesbehalve
stimulerend voor het opgroeien van jeugdigen tot mensen die verantwoording
nemen voor zichzelf en hun omgeving. Maar bovendien hebben deze ontwikkelingen
vaak nog een extra negatieve uitwerking op jeugdigen die toch al moeite hebben
zich staande te houden vanwege risicofactoren die te maken hebben met gezin,
school, wijk en/of constitutionele factoren bij henzelf.
Risicojongeren
en hun ouders hebben in hun moeilijke omstandigheden ondersteuning nodig van
mensen om hen heen, van professionele opvoeders en hulpverleners, van degenen
die randvoorwaarden bepalen, zoals beleidsmakers, beleidsuitvoerders en
politici.
Volwassen
jeugdbeleid
Tijdens de Conferentie van Operatie Jong, gehouden op 12 september 2005, houdt
prof. dr. Jo Hermanns een lezing over ‘volwassen jeugdbeleid’. Hij
schetst de ontwikkeling van jeugdbeleid aan de hand van de ontwikkeling van
jeugd zelf. Resultaat van het opgroeien en opvoeden van jeugd zijn naar zijn
mening volwassen mensen die evenwichtig, sociaal, rationeel en zelfstandig
kunnen handelen. Volwassen jeugdbeleid op terrein van opvoed- en opgroeihulp is
in zijn optiek beleid waar kinderen, jongeren en ouders daadwerkelijk iets aan
hebben (en de samenleving dus ook). Vormen van hulp en ondersteuning zijn pas
waardevol als ze ook ‘evidence based‘
zijn, dat wil zeggen gebaseerd op aantoonbaar, door de doelgroep zelf
aangegeven, resultaat.
Vervolgens
bespreekt Hermanns zeven effectiviteitskenmerken
van interventies (ofwel: aanbod). Een interventie is effectief als zij:
- goed doordacht,
gestructureerd en gestandaardiseerd is;
- het evenwicht bewaart
tussen de omvang van de problematiek en de omvang van de beschikbare
inzet;
- goed aansluit bij de wijze
waarop ouders, kinderen en jongeren zelf hun problemen ervaren;
- gericht is op het weer
greep krijgen op het eigen leven van ouders, kinderen en jongeren (empowerment);
- beschikbaar is in de
verschillende leefsituaties van ouders, kinderen en jongeren;
- zich richt op het behalen
van overeengekomen concrete doelen;
- zich richt op het activeren
van sociale netwerken rond ouders, kinderen en jongeren.
Samengevat
gaat het bij effectieve hulp bij opgroeien en opvoeden om hulp die mensen helpt
bij het zelf ontdekken en toepassen van oplossingen voor problemen die ze in
hun eigen leven ervaren en die ook vervolgens in de eigen omgeving opgelost
worden. De nadruk ligt in dit verband op hulp die aansluit bij wat jeugd en
ouders als problemen ervaren. Nadruk ligt ook op hulp die in of dichtbij
gezinnen georganiseerd wordt en snel beschikbaar is. Te denken valt aan
laagdrempelige voorzieningen in de wijk.
Algemeen
belang’ als opvoedingsdoel
Bij zijn aanvaarding van het ambt van hoogleraar op de facultaire Langeveldleerstoel aan de Universiteit van Utrecht sprak
prof. dr. Micha de Winter
recentelijk over opvoeden tot democratisch burgerschap. Naast (het leren van)
solidariteit, gelijkwaardigheid en tolerantie, spelen (het leren van) vrijheid,
verantwoordelijkheid en respect voor verschil een grote rol als gewenste
opvoedingsdoelen in een democratische samenleving. Het gaat om opvoeden tot
actief burgerschap en om de rol van ouders, leeftijdsgenoten, school, andere
opvoeders en anderen. Wij voegen daar aan
toe: ‘It takes a whole village to raise a child.’
Het
gaat hierbij om het organiseren van leerzame contexten waarin jeugdigen actief
burgerschap kunnen en ook willen ontwikkelen. Zijn stelling is dat je een
dergelijke leerzame context kunt scheppen met behulp van situaties waarin
actief burgerschap voor jeugdigen een aantrekkelijk perspectief vormt, ofwel
winst oplevert. Die stelling doet sterk denken aan de uitspraak van Hermanns dat hulp effectief is als jeugdigen en ouders er
ook echt iets aan hebben.
De
Winter vindt dat opvoeding, onderwijs en jeugdbeleid zich vrijwel exclusief
zijn gaan richten op de persoonlijke belangen van jeugdigen. Opvoedingsdoelen
als ‘het ontwikkelen van een eigen identiteit’, ‘je talenten ontplooien’,
‘zelfstandig kunnen functioneren’, wijzen naar het individu als de maat der
dingen. Hij mist het opvoedingsdoel ‘algemeen belang’. Immers: een geslaagde
individuele ontwikkeling leidt niet vanzelfsprekend tot sociaal
verantwoordelijkheidsgevoel, tot actieve maatschappelijke participatie of tot
gedrag waarbij het individu het eigen belang indien nodig ondergeschikt maakt
aan het belang van de gemeenschap. Het belang van de gemeenschap is het
ontwikkelen en instandhouden van een democratische samenleving waarin
conflicten tussen individuen en/of groepen op een humane, geordende en
vreedzame manier worden opgelost.
De
afnemende democratische gezindheid van de laatste decennia, resulterend in
bijvoorbeeld calculerend burgerschap, oprukkend fundamentalisme en gebrek aan
identificatie met de Nederlandse samenleving, vraagt om het centraal stellen
van het algemeen belang in opvoeding, onderwijs en
jeugdbeleid. De Winter pleit voor een democratisch-pedagogisch
offensief.
Overlast,
gewelddadigheid en radicalisering van jongeren kunnen worden geduid met behulp
van individueel-pedagogische categorieën maar
mogelijk en beter ook in termen van een ‘democratisch tekort’: ergens onderweg
lijkt het proces van democratisch burgerschap in de ontwikkeling van jeugdigen
te zijn gestrand.
Centrale
vraag is echter wat risicojeugdigen en hun ouders in
hun specifieke situatie opschieten met democratisch burgerschap, de vraag is ook
of deze jeugdigen en ouders democratisch burgerschap wel als opvoedingsdoel
willen zien! Immers: de ‘code van de straat’ waarmee kinderen in
achterstandswijken opgroeien, eist heel ander gedrag om te kunnen overleven. Je
moet vechten voor je plaats in de wereld en dat doe je door respect af te
dwingen. Dat zijn de lessen die kinderen van jongs af aan leren, thuis en op
straat. Niks samen vreedzaam conflicten oplossen, maar gewoon
erop los slaan en laten zien dat je de sterkste bent! Toch blijft
gerichte vorming van democratisch burgerschap belangrijk, voor de risicojeugdigen zelf en zeker ook voor de samenleving.
De
kunst voor (professionele) opvoeders is te laten zien dat democratisch gedrag
ook een aantrekkelijk perspectief biedt aan risicojeugdigen,
dat er werkelijk iets mee te winnen valt. Het gaat in dit verband altijd om
gedrag in relatie tot de context. Gedrag zal niet gemakkelijk veranderen als de
context waarin het ontstaan is, precies dezelfde blijft. Democratisch opvoeden
is dan ook niet alleen een zaak en taak van opvoeders, maar ook van degenen die
de omgeving van opvoeding kunnen beïnvloeden. Het gaat om empowerment
en participatie van jeugdigen en hun ouders; mensen toerusten voor en
stimuleren tot het zelf invloed uitoefenen op de kwaliteit van hun leven.
Daarin stemmen de visie van Hermanns en de Winter
overeen. Maar even zo goed gaat het om onderwijs- en jeugdbeleid en
(pedagogische) infrastructuur; om het creëren van contexten die democratisch
gedrag genereren. Met elkaar moeten we er volgens De Winter in kunnen slagen om
een pedagogische infrastructuur te ontwikkelen die verdraagzaamheid,
solidariteit en democratische gezindheid cultiveert en mogelijk maakt.
Democratisch
burgerschap ontwikkelen: de rol van de omgeving
Om jeugdigen verantwoordelijk te maken voor zichzelf maar ook voor hun
omgeving, en het algemeen belang, is het nodig dat
professionele opvoeders en beleidsmakers democratisch burgerschap (gaan)
beschouwen als een van de voornaamste opvoedingsdoelen, naast die van zelfstandigheid
en ontplooiing van talenten. Het gaat om het zoeken naar en vinden van
mogelijkheden om jonge mensen meer greep te laten krijgen op hun omgeving.
Tegelijkertijd is het belangrijk om met elkaar vast te stellen binnen welke
normatieve kaders zaken als respect, tolerantie en solidariteit dienen te
worden ingevuld. Wat bedoelen we eigenlijk met die termen en waardoor worden ze
begrensd?
Het
gaat met andere woorden om zowel het ontwikkelen van democratisch burgerschap
als om het zodanig inrichten van de omgeving dat democratisch gedrag loont.
Tolerantie en respect voor anderen is sterk verbonden aan respect voor jezelf
en gevoel van eigenwaarde. Als het om risicojeugd gaat dan moeten we er met z’n allen voor kunnen zorgen dat we effectief tegenwicht
bieden aan de code van de straat. We moeten in staat zijn risicojeugd
verschillende mogelijkheden te bieden om zichzelf te respecteren en te
waarderen en talenten in te zetten, waarbij we tegelijkertijd grenzen stellen
en laten zien wat maatschappelijk beschouwd kan en wat niet kan. Het eigen
belang van opgroeien tot evenwichtige, zelfstandige en rationeel handelende
volwassenen (Hermanns) wordt zo gerelateerd aan het algemeen belang: opgroeien tot sociale, democratisch
ingestelde volwassenen (De Winter).
Een
dergelijke visie op opgroeien en opvoeden is pas effectief als we deze kunnen
omzetten in concrete ondersteunings- en
beleidspraktijken, zowel gericht op de drie opvoedingsmilieus gezin, school en
georganiseerde vrijetijdsbesteding, als op een adequate (pedagogische)
infrastructuur.
Ouders
Bij het overbrengen van democratische waarden spelen ouders van jeugdigen een
belangrijke rol. De culturele, religieuze, en maatschappelijk situatie van
ouders is zo divers dat dit tot zeer verschillende wijzen van opvoeden leidt.
Deze verschillen in de opvoeding maken het des te belangrijker dat kinderen
bijgebracht wordt respectvol met verschillen om te gaan, want met die
verschillen krijgen (jonge) mensen op school, op straat en op de sportclub
dagelijks te maken. Dit vraagt van ouders wel het nodige. Lang niet alle ouders
zijn hiertoe goed in staat. Bijvoorbeeld omdat men zelf veel problemen heeft,
of omdat men weinig bewust met de opvoeding bezig is, omdat men zelf niet
respectvol met verschillen om kan gaan of omdat respectvol omgaan met
verschillen in het leven van alledag niet loont!
Opvoeden
van kinderen is niet iets vanzelfsprekends, en waar leer je eigenlijk hoe je
kinderen moet opvoeden? Vroeger was het gebruikelijk dat mensen zich met elkaar
bemoeiden en bij elkaar om advies vroegen. In onze huidige geïndividualiseerde
samenleving waar allerlei sociale netwerken voor mensen (kerk, vereniging,
enz.) grotendeels zijn weggevallen, zijn aanmerkelijk minder laagdrempelige
mogelijkheden om hulp te vragen bij het opvoeden van een kind. Zeker voor
‘risico-ouders’ is georganiseerde groepsondersteuning zoals opvoedcursussen
vaak nog een brug te ver. Om die ouders hulp te bieden bij het opvoeden, werkt
aansluiting bij natuurlijke situaties waar jeugdigen en ouders toch al komen,
het beste, zoals in de peuterspeelzaal, school, de sportclub, et cetera.
Belangrijk bij het betrekken en benaderen van ouders is dat men aansluit bij de
beleving van ouders en dat men hen benadert met respect voor de wijze waarop
zij hun kinderen proberen op te voeden in vaak moeilijke omstandigheden. Het
gaat er om ouders niet alleen aan te spreken op hun eigen
opvoedingsverantwoordelijkheid maar ook ze in staat te stellen tot het
ontwikkelen van competenties waarmee ze weer invloed krijgen op hun omgeving.
Tegelijkertijd moeten zaken in hun omgeving veranderen: duidelijk moet worden
dat hun betrokkenheid en deelname aan de samenleving nodig is en belangrijk
gevonden wordt. Vormen van ouderparticipatie kunnen hierin voorzien, zeker
wanneer die gekoppeld worden aan vormen van empowerment.
Voor
ouders die wat langduriger steun bij opvoeden nodig hebben, moet die steun
dicht bij huis georganiseerd worden. Bijvoorbeeld in de vorm van een Ouder-Kind Centrum of een Steunpunt Opvoeding. Gemeenten
doen er goed aan hun gemeentelijke taken in het kader
van jeugdzorg integraal aan te bieden in een voor risico-ouders laagdrempelige
voorziening. Het gaat daarbij om de taken voorlichting, signalering, het bieden
van toegang tot de jeugdzorg, pedagogische hulp en coördinatie.
Een
vrij nieuwe aanpak in de hulpverlening is de familieconferentie Eigen Kracht,
gebaseerd op het bestaan van hechte gemeenschappen in Nieuw-Zeeland. De kracht
van de familie als ‘zelfsturende organisatie’ wordt ingezet om problemen te
bespreken en op te lossen, zonder een hulpverlener die voorschrijft wat het
beste is. Een coördinator (niet-hulpverlener) brengt familieleden bij elkaar en
begeleidt het proces van samen oplossingen vinden voor gerezen problemen. In
deze vorm van hulpverlening hebben ouders, jeugdigen en andere familieleden het
heft in eigen handen: zij bepalen wat het probleem is en hoe het opgelost kan
worden. Ze hebben een belangrijke rol in de uitvoering van de oplossing. In
deze zin kan de familieconferentie een effectief instrument zijn in het
aanpakken en oplossen van opgroei- en opvoedproblemen.
Leerkrachten
In het bijbrengen van kennis en vaardigheden om jeugdigen verantwoordelijk te
leren zijn voor henzelf en de omgeving heeft het onderwijs bij uitstek een
belangrijke taak. De leerkracht ‘ziet’ alle jeugdigen. Alle jeugdigen met hun
uiteenlopende thuisculturen, komen daar samen. Alleen al de aanwezigheid van al
die verschillen, geeft volop aanleiding om aandacht te besteden aan het
respectvol omgaan met diversiteit en verschillen in waarden en normen. Goede
voorbeelden hiervan zijn de Vreedzame school en de Wereldschool. Een uitdaging
ligt in het creëren van buitenschoolse contexten die respectvol gedrag
aanmoedigen en lonend maken. Initiatieven gericht op de Vreedzame wijk
bijvoorbeeld wijzen in deze richting.
Ook
een andere actuele ontwikkeling in het onderwijs is gericht op het leren
handelen in eigen en algemeen belang, namelijk die van het natuurlijk leren,
ook wel levensecht leren genoemd. Hierbij gaat het expliciet om het aanbieden
van een zo levensecht mogelijke leeromgeving die het ontwikkelen van
individuele en sociale competenties zoals eigen initiatief, eigen talenten,
eigen verantwoordelijkheid en handelen in het algemeen
belang, centraal stelt. Zowel in het basisonderwijs als in het vervolgonderwijs
zijn hiervan steeds meer voorbeelden te vinden.
Gelukkig ook op die scholen waar veel risicojeugdigen
zitten, de zogeheten GOA-basisscholen en het VMBO.
Gelukkig ook in de naschoolse tijd, in projecten als Verlengde Schooldag en
Kinderpersbureau en in ander educatief naschools aanbod, aangeboden door
welzijnswerk, centra voor kunst en cultuur of sportverenigingen.
Scholen
hebben daarnaast allerlei mogelijkheden om via leerlingparticipatie
en ouderparticipatie leerlingen en ouders in staat te stellen invloed uit te
oefenen op hun eigen omgeving waardoor democratisch gedrag gaat lonen. Het
instellen van een kinderraad of jongerenraad op school, die daadwerkelijk
invloed heeft op de gang van zaken binnen school, is een voorbeeld. Een wijkkinderraad, ingericht in samenwerking met de
basisscholen in de wijk, geeft kinderen invloed op de gang van zaken in de
wijk.
Overige
opvoeders
Naast de leerkrachten en docenten in het onderwijs zijn er nog vele andere
professionals met opvoedkundige taken zoals jongerenwerkers, politieagenten,
leerplichtambtenaren, hulpverleners, en daarnaast de vele vrijwilligers op
sportclubs, scoutinggroepen etcetera.
Ook deze medeopvoeders hebben een belangrijke taak om jeugdigen te leren
sociaal en maatschappelijk verantwoord te handelen. Immers, om in termen van Hermanns te spreken: ‘multisystemisch
werken is effectiever’. Ofwel: het effect van opvoed- en opgroeihulp is groter
naarmate de interventies op meerdere leefterreinen (gezin, school, buurt, werk)
worden aangeboden.
Het
is inhoudelijk effectief wanneer op de verschillende leefterreinen zoveel
mogelijk eenzelfde soort gedrag wordt gestimuleerd (het democratisch -
pedagogisch offensief) met eenzelfde normatieve invulling. Tussen de professionals
onderling wordt over het algemeen nog te weinig één normatieve lijn getrokken
op basis waarvan het pedagogische handelen gericht op jeugdigen kan worden
afgestemd. Professionele opvoeding vraagt om onderlinge basisafspraken over wat
op verschillende terreinen en op verschillende locaties wel en niet getolereerd
wordt, waarbij rekening gehouden wordt met de verschillende rollen en taken in
de opvoeding die diverse professionals hebben ten aanzien van jongeren. Een
agent immers heeft een geheel andere relatie tot jongeren dan een
jongerenwerker. De politie heeft vooral een toezichthoudende en corrigerende
taak, en kan ouders gemakkelijk aanspreken op het gedrag van hun kinderen. De
jongerenwerker moet jongeren vooral stimuleren om iets te ondernemen, jongeren
ondersteunen om iets te doen, jongeren uitdagen om hun talenten te ontwikkelen,
problemen signaleren en hen motiveren hun leven in eigen hand te nemen. Het kinder - en jongerenwerk zou
zich vooral moeten kenmerken door het creëren van participatiemogelijkheden en
door vormen van informeel of levensecht leren. Daarnaast ook door duidelijke
grenzen te stellen; door duidelijk te zijn in wat wel en wat niet kan.
Normatief kinder- en jongerenwerk als invulling van
het democratisch- pedagogisch offensief! Kinderen en jongeren worden zo in
staat gesteld om eigen wensen zelf te realiseren en tegelijkertijd oog en oor
te hebben voor belangen van anderen.
Ontwikkelen
van leefregels op school of ‘de tien geboden van de wijk’ kan een uitwerking
zijn van gezamenlijk vast te stellen (on)gewenst
gedrag. Kinderen, jongeren en ouders dienen betrokken te worden bij het
vaststellen van deze regels. Immers: effectief is een interventie pas als de
doelgroep zelf erbij betrokken is en er baat bij heeft.
Een
hulpverlener dient competent te zijn om jeugdigen en/of ouders dicht bij huis
die hulp te bieden die hen daadwerkelijk verder brengt. Dat wil zeggen: hulp
die (zoveel mogelijk) voldoet aan de effectiviteitskenmerken
van Hermanns zoals we die hiervoor hebben genoemd.
Vanuit de inzichten van De Winter zouden we een achtste kenmerk aan het rijtje
kunnen toe voegen: een interventie is effectief als ze zich richt op het
ontwikkelen van democratisch burgerschap.
Tot
overige opvoeders horen ook familieleden, buren, winkeliers en andere burgers
in de buurt van jeugd. In de al aangehaalde uitspraak ‘It
takes a whole village to raise
a child’ ligt besloten dat iedereen een rol heeft in
de ontwikkelingsmogelijkheden van jeugdigen. Het zou goed zijn als er in een
buurt- of wijkaanpak, gericht op sociale cohesie, ook aandacht is voor die rol.
Het kan geen kwaad, om het maar zo te zeggen, dat de sociale controle toeneemt,
in de vorm van elkaar aanspreken op ongewenst gedrag, maar dan wel gecombineerd
met respect tonen voor jeugdigen en hun talenten aanboren.
Een
speciale plaats onder de ‘overige opvoeders’ is voor leeftijdsgenoten. De
grootste risicofactor voor jeugdigen om op het verkeerde pad te raken is de
omgang met ‘verkeerde vrienden’. Interventies en projecten waarin ‘goed voorbeeld
doet goed volgen’ wordt uitgewerkt, vormen dan een belangrijk tegenwicht.
Voorbeelden zijn topvoetballers die met jeugdigen praten over ‘sportief’gedrag en als voorbeeld dienen voor anti-discriminatiegedrag; voorheen kansarme toprappers die als voorbeeld dienen voor talentontwikkeling
; huiswerkbegeleiding door zelforganisaties waarin jonge mensen van de
eigen etniciteit begeleider zijn en als rolmodel dienen (kansen grijpen).
Lokale
overheden
Het is een goede ontwikkeling dat lokale overheden steeds meer taken en
verantwoordelijkheid krijgen ten aanzien van het beleid ten aanzien van
jeugdigen. Vergeleken met de andere overheden en provinciale instituties, staat
de lokale overheid immers relatief dicht bij jeugd en ouders.
Het
lokale jeugdbeleid moet gericht zijn op alle jeugdigen, door voldoende
faciliteiten te bieden zodat jongeren zich optimaal kunnen ontwikkelen en
ontplooien. Daarnaast heeft de lokale overheid sinds kort ook een aantal taken
ten aanzien van jeugdzorg gekregen. Belangrijk is dat de gemeente een
stimulerende rol vervult en de voorwaarden schept voor een democratische
pedagogische infrastructuur, waarbij ze instellingen aanspoort op een
eenduidige wijze daaraan mee te werken, ieder vanuit zijn eigen taak of
functie.
Voorwaarde
voor het voeren van goed jeugdbeleid is vooral: goed luisteren naar wat
jeugdigen (en ouders) zelf willen en kunnen. Veel gemeenten, maar ook
instellingen, hebben er moeite mee participatie van de jeugd goed vorm te
geven. Daarnaast bestaat nog wel eens het (vooringenomen) idee dat men zelf wel
weet wat de jeugd wil, bijvoorbeeld voetbal, disco, of een eigen honk. Maar
jeugdigen kunnen ook gericht betrokken worden bij bepaalde vraagstukken of
worden uitgedaagd met voorstellen te komen voor bepaalde door hen ervaren
omstandigheden. Zo kunnen jeugdigen zelf betrokken worden bij een vraagstuk als
het veiliger maken van uitgaan. De jeugd serieus betrekken kost de nodige tijd
en (professionele) ondersteuning, maar dat is het veelal ook meer dan waard
omdat jeugdigen op deze manier op informele wijze leren participeren als een
volwaardig, democratisch handelend medeburger.
Een
aantal jaren geleden zijn er door veel gemeenten initiatieven op dit vlak
genomen, maar bij gebrek aan resultaat en/of vanwege bezuinigingen zijn op
participatie gerichte initiatieven nog al eens gesneuveld. Toch zijn er diverse
boeiende voorbeelden van gemeenten die serieus en structureel in gesprek zijn
met de jeugd en die jongeren betrekken bij de aanpak van problemen. Steeds meer
worden hierbij ook nieuwe vormen gekozen zoals jeugdigen via school benaderen
voor deelname aan een gemeentelijke website of een speciale jeugdsite. Op een
dergelijke site kunnen jongeren informatie krijgen over bijvoorbeeld
vrijetijdsaanbod. Maar ook kan de gemeente zelf vragen aan de jongeren
voorleggen, hen advies vragen en hen oproepen aan iets deel te nemen. De
website fungeert dan als instrument voor interactieve beleidsvorming. Daarnaast
zijn er ook goede voorbeelden van maatschappelijke participatie, gericht op het
actief bijdragen aan aanbod en voorzieningen. Bijvoorbeeld het project Safe City dat jongeren zelf plannen laat ontwikkelen voor
veilig uitgaan in de stad en ze ook een rol en verantwoordelijkheid geeft in de
uitvoering ervan. Jeugdigen kunnen in dit soort projecten ervaren hoe zij
invloed kunnen uitoefenen en leren hoe besluitvorming gaat. Zij kunnen talenten
inzetten en successen scoren, wat goed is voor het ontwikkelen van zelfrespect
en eigenwaarde. Het is ook goed voor de samenleving die ervaart dat jongeren
bereid zijn energie te steken in eigen en algemeen belang.
Gemeenten
kunnen het goede voorbeeld geven door jeugdparticipatie een vanzelfsprekend
onderdeel te laten zijn van beleidsontwikkeling op terreinen die (ook) relevant
zijn voor jeugd. Een andere manier is dat zij een rol kunnen spelen door
instellingen waarmee ze een subsidierelatie of inkooprelatie hebben, aan te
sporen om het actief betrekken van jeugdigen kenmerk te laten zijn van de
manier van werken.
Risicojeugd
en democratisch burgerschap; gaat dat samen?
Risicojeugdigen zijn jeugdigen die uit de boot
dreigen te vallen of daar al uitgevallen zijn; die – anders gezegd – de
aansluiting met de samenleving (dreigen te gaan) missen. We stonden daar al
eerder kort bij stil. Het meest in het oog springend zijn de jeugdigen die
problemen geven, in de vorm van grensoverschrijdend gedrag. Termen die gebruikt
worden om dit soort gedrag te benoemen zijn: brutaal, asociaal, overlast,
vandalisme, criminaliteit, en excessief seksueel gedrag. Het gaat om de risicojeugdigen die al snel tot de probleemjeugd worden
gerekend. Aandacht voor deze groepen kenmerkt zich vaak door (een roep om) een
repressieve aanpak.
Daarnaast
zijn er de jeugdigen die zorgelijk gedrag vertonen of in zorgelijke
omstandigheden op moeten groeien (achterstandssituaties bijvoorbeeld). Aandacht
voor deze kinderen en jongeren is meer gericht op het versterken van
beschermende factoren en het bieden van jeugdhulpverleningstrajecten.
Het
is vooral de eerste categorie van probleemjeugd waarbij het de vraag is of
opvoedingsdoelen als democratisch burgerschap wel aan zullen slaan. Wat is hun
belang en hoe verhoudt zich dat tot andere belangen? Hoe kun je die twee
koppelen? Hoe creëer je een leeromgeving die probleemjongeren uitnodigt tot
actief burgerschap?
Hangjongeren: een brede aanpak
In bijna alle gemeenten wordt overlast van jeugdigen als een groot probleem
ervaren.
Door bewoners en dus vaak ook door bestuurders. In menig lokale monitor staat
jeugdoverlast in de top-5 van grootste problemen,
ervaren door burgers. Jongeren gebruiken de straat nu eenmaal anders dan
volwassenen. Ze gebruiken de straat, de openbare ruimte bijvoorbeeld als
ontmoetingsplaats. Volwassenen ervaren een groep jeugdigen, zeker wanneer die
onbekend is, al snel als eng of bedreigend. Jongeren reageren ook al snel
anders in een groep dan wanneer ze alleen zijn. Naast het gegeven dat groepen
bedreigend kunnen overkomen is er ook regelmatig sprake van feitelijke overlast
door groepen jeugdigen. Veelal gaat het niet om overtredingen, maar meer om
hinderlijk gedrag waar moeilijk direct op in te grijpen is.
Veel
gemeenten hebben inmiddels met andere organisaties wel
een aanpak bedacht, maar de uitwerking kan vaak nog veel effectiever. Te vaak
blijkt er adhoc beleid geformuleerd te worden en zijn
er geen duidelijke afspraken over de vraag wie in de aanpak leidend zijn. Vanuit de inzichten van Hermanns en De
Winter kun je ook vraagtekens zetten bij een aanpak waar jeugdigen zelf, hun
ouders en bewoners weinig of te laat betrokken worden bij het formuleren van
het probleem en het zoeken naar oplossingen.
In
onze optiek moet er sprake zijn van een integrale aanpak waarbij behalve
jongeren zelf in ieder geval gemeente, politie en welzijnswerk
(jongerenwerk/opbouwwerk) en zo nodig andere partners (woningcorporaties,
winkeliersverenigingen) betrokken zijn.
Groepen
jeugdigen moeten in beeld zijn (volgens het principe kennen en gekend worden)
en de betreffende informatie moet niet alleen in de hoofden van agenten en
jongerenwerkers zitten maar moet in een zogenaamd ‘straatgroepen-overzicht’
bij elkaar worden gezet. Klachten over jeugdoverlast moeten gebundeld worden en
er moet altijd contact zijn met de melder. Enerzijds om de relevante informatie
te krijgen en anderzijds om de melder serieus te nemen. Dit betekent overigens
niet dat de melder altijd gelijk heeft. Vaak is aandacht hebben voor klachten
al een deel van de oplossing.
Wanneer
er veel klachten zijn over een bepaalde groep jeugdigen op een locatie kan
besloten worden een specifiek plan van aanpak voor die groep of locatie te
maken met verschillende instanties. Voor men een plan van aanpak maakt moet er
een goede analyse gemaakt worden waarin in ieder geval bewoners en jeugdigen
worden betrokken. Belangrijk is te horen welke oplossingen zij aandragen, en
dat zij aangeven wat zij kunnen bijdragen aan de verbetering van de situatie.
Activering en betrokkenheid van de bewoners, jongeren en ouders bij de aanpak
van het probleem is vaak een belangrijk onderdeel bij de oplossing van ervan en
men zal veelal toch samen verder moeten leven.
Een
goed voorbeeld in dit verband is dat buurtbewoners en ouders na een incident
met een groep jongeren zelf actief zijn gaan sporten met groepen jongeren uit
de wijk.
De
hiervoor omschreven werkwijze is terug te vinden in de aanpak Jongeren-Op-Straat die ontwikkeld is in samenwerking met
gemeenten en lokale partijen.
Hermanns en de Winter laten zien dat actieve participatie
van hangjongeren zelf een absolute voorwaarde is voor succes. Het gaat erom dat
jongeren zelf ook het probleem ‘overlast’ kunnen duiden, hun eigen rol daarin
(h)erkennen en de rol van anderen aangeven, zich gerespecteerd voelen en
serieus genomen en zelf ook oplossingen kunnen verzinnen. Het moet niet over
hen gaan maar met hen!
Een
mooi voorbeeld van actieve participatie van probleemjongeren willen we hier
uitgebreider beschrijven om te laten zien hoe het ontwikkelen van democratisch
burgerschap ook een doel kan zijn in het werken met risicojongeren. Het gaat om
het project Let’s Hang Around
dat onlangs is afgesloten met een landelijke presentatie en de prijsuitreiking
De
hangplek van 2005’.
Het idee van dit project was om, als tegenwicht voor alle negatieve
berichtgeving in de media over jongeren, de jongeren zelf de kans te geven zich
eens positief aan de buurt en in de media te presenteren door een positieve
actie voor de buurt te organiseren. Let’s Hang Around werd een wedstrijd gericht op hangjongeren in
Nederland in de leeftijd van 10 tot 20 jaar. Tien verschillende gemeenten in
Nederland mochten hieraan deelnemen.
Jongeren
in deze gemeenten hebben onder begeleiding van het plaatselijke jongerenwerk
een actie bedacht en ook zelf uitgevoerd, waarmee ze zich op een positieve
manier presenteerden aan de buurt. De activiteiten varieerden van het
organiseren van een buurtfeest tot het opnieuw beschilderen van de hangplek
volgens een ontwerp dat met inspraak van de buurt werd gemaakt. Overal is het
gelukt om buurtbewoners van verschillende leeftijden op de
been te krijgen. De jongeren kregen veel positieve reacties op hun inzet en
voelden zich hoe langer hoe meer trots op hun prestatie. Ook de effecten van
hun actie worden naderhand zichtbaar: buurtkinderen die voorheen niet buiten
mochten spelen vanwege de hangjongeren, mogen nu wel de straat op. De jeugd
wordt nu aangesproken door wijkbewoners en wijkagent, terwijl zij voorheen geen
contact hadden. De winnende groep uit Eindhoven kreeg enorm veel aandacht van
media en van professionals. Deze jongeren leefden een paar jaar geleden nog op
voet van oorlog met buurtbewoners en kwamen negatief in het nieuws. Nu zeggen
ze zelf dat ze er wel op kicken om zo in de belangstelling te staan en dat
positieve aandacht leuker is dan negatieve aandacht.
Het
doel was dus niet zozeer dat jongeren zelf verantwoordelijkheid zouden nemen,
maar dat is wel wat ze hebben gedaan! Misschien gaat het daar ook wel over. Je
hoeft bij jongeren niet aan te komen met het verhaal dat het goed is dat je zelf
verantwoordelijkheid neemt. De kunst is meer om ze aan te spreken met concrete
activiteiten, die aansluiten bij hun leefwereld en waar ze het nut van inzien.
Zo zijn ze al doende bezig met verantwoordelijkheid te nemen voor zichzelf en
hun omgeving. Eigenlijk is het opvallend dat zodra het gaat
over jongeren betrekken bij, over jongeren motiveren en activeren tot, het
meestal gaat over een aantal belangrijke ingrediënten. Natuurlijk is het
afhankelijk van de jongeren, de begeleiding en de lokale situatie hoe het
proces verloopt en hoe het resultaat eruit komt te zien. Maar toch zijn er een
aantal ingrediënten te noemen die volgens ons aan het begin staan van een
succesvol traject met jongeren;
- Jongeren respecteren en
begrip tonen.
- Duidelijk zijn, je hoeft
niet alles wat ze doen goed te keuren.
- Geen valse hoop geven, waar
maken wat je zegt.
- Vraaggericht werken en
jongeren serieus nemen in wat ze zelf in willen brengen.
- Helder maken wat deelname
aan een project de jongeren zelf oplevert .
- Jongeren belonen voor de
inzet (dit moet wel in verhouding zijn, ze hoeven niet enorme beloningen
te krijgen voor geringe inzet).
- Een wedstrijd-element
inbrengen; jongeren prikkelen en uitdagen.
- Resultaten zichtbaar maken,
onder andere door inzet van media.
- Een actieve vorm kiezen als
activiteit.
- Kortdurende trajecten
plannen met een duidelijk begin en eind.
Het
effect van projecten als Let’s Hang Around kan worden vergroot als er ook op de andere
leefterreinen interventies worden gepleegd die actief burgerschap tot doel
hebben. Een school die natuurlijk leren heeft ontwikkeld en leerlingen
uitnodigt ook maatschappelijke prestaties te leveren, draagt bij aan
internalisering van het gewenste gedrag bij jeugdigen. Een gebiedsaanpak
stadsvernieuwing die jongeren als belangrijke klantgroep en deelnemer ziet,
doet dat ook.
De
hiervoor genoemde ingrediënten voor succesvolle jeugdparticipatie sluiten prima
aan bij de adviezen van Hans Kaldenbach, trainer bij Archimedes Lerarenopleiding in Utrecht, aan docenten en
anderen die te maken hebben met jongeren die er een straatcultuur op na houden.
Hij geeft deze adviezen in zijn boek: Geef me respect, 99 tips voor het omgaan
met jongeren in de straatcultuur. De adviezen sluiten op hun beurt nauw aan bij
de opvattingen van De Winter over het belang van zelfrespect en normatieve pedagogiek.Kaldenbach stelt dat jongeren in de
straatcultuur anders reageren dan de schoolcultuur, de burgerlijke cultuur, de
cultuur van u en mij, van ze verwacht.
Voorbeelden die hij gebruikt hebben te maken met het willen corrigeren van
(ongewenst) gedrag. In plaats van toe te geven, beterschap te beloven en hun
excuus aan te bieden reageren straatjongeren vaak met ontkennen, de schuld
afschuiven, soms dreigen, verontwaardigd zijn. Dergelijk gedrag is volgens Kaldenbach gebaseerd op een door hen ervaren tekort aan
respect, een tekort aan structuur en een diepgeworteld gevoel als tweederangs
burger behandeld te worden. Meer dan anderen hebben deze jongeren behoefte aan
persoonlijk contact, steun, respect en warmte; aan iemand die vertrouwen in hen
heeft, in hen gelooft, aan echte interesse. Eerder dan anderen staan ze op
scherp als ze gebrek aan respect proeven. Daarnaast hebben ze ook behoefte aan
structuur, aan grenzen, aan duidelijkheid, aan regels, aan een dagindeling die
regelmaat brengt.
Bij Marokkaanse straatjongeren is volgens Kaldenbach
de noodzaak van respect en grenzen stellen het sterkst. Een benadering die
volgens hem werkt, combineert vriendelijkheid met duidelijkheid, respect met
regels, warmte met autoriteit. Veroordelen van gedrag, hoe terecht eigenlijk
ook, stimuleert vaak een manier van communiceren waar straatjongeren veel beter
in zijn: schelden, schreeuwen, intimideren, dreigen, enzovoort. ‘Zodra ze af
stand voelen, is het oorlog.’ In plaats daarvan
adviseert hij, vooral als je als opvoeder ‘alleen maar’ verbale macht hebt, de
door hem zo genoemde ‘schijnbaar amicale aanpak’: maak respectvol contact met
de jeugdige , leg uit waarom een regel bestaat, zorg ervoor dat de jeugdige geen gezichtsverlies hoeft te leiden, biedt hem
een eervolle uitweg, breng hem zo mogelijk in de rol van helper en ga met
wederzijds respect uit elkaar zonder na te trappen of alsnog je gelijk te
halen. Maak bij dit alles wel duidelijk dat er grenzen zijn die niet overschreden
mogen worden.
Dergelijk
gedrag sluit aan bij de behoefte van risicojeugdigen
met een straatcultuur en is dus perspectiefrijk. Het is gedrag dat geleerd moet
worden; het is je als opvoeder uit de burgercultuur niet eigen. Het trainen van
dergelijk gedrag loont zeker de moeite als het effect is dat risicojeugdigen zich hoe dan ook gerespecteerd en
gewaardeerd gaan voelen!
Het is vervolgens niet voldoende dat opvoeders een communicatiestijl (leren)
hanteren die goed aansluit bij de wensen en behoeften van straatjeugd. Om te
voorkomen dat er een groep jeugdigen ontstaat die de aansluiting dreigt te
missen met de samenleving, mag van alle betrokkenen verwacht worden dat zij ook
actief contact zoeken en blijven houden met jongeren van de straat. De methodiek
van het (randgroep)jongerenwerk is er een die werken kan: jongeren opzoeken,
vertrouwen opbouwen, hulp en ondersteuning bieden met gebruik van bovenstaande
communicatiestijl, outreachend werken, normatief
werken en peergroup-methoden gebruiken om talenten
aan te spreken, om jongeren te verleiden tot en in aanraking te brengen met
nieuwe uitdagingen. (Zie bijvoorbeeld Rezpect, een
theaterstuk waarin twee jongeren van de Glenn Mills-school op de planken brengen hoe het hen vergaan is
en wat hen ertoe gebracht heeft het slechte pad te verlaten). Het met elkaar
creëren van een pedagogisch klimaat waarin respect een belangrijk kenmerk
vormt, dient ingebed te zijn in een normatief pedagogisch kader: volstrekte
helderheid over wat wel en wat niet kan, eisen stellen, op juiste manieren
communiceren, consequent handelen en snel ingrijpen waar nodig. Maar ook dat is
niet genoeg, stelt Kaldenbach: de hele omgeving van
(risico)jongeren dient zodanig te zijn ingericht dat zij kansen krijgen en
leren hun kansen te pakken om zich te kunnen
ontwikkelen tot volwassenen die evenwichtig, zelfstandig, sociaal en
democratisch handelen.
Tot
slot
Onze samenleving bevat veel bedreigingen voor het gezond opgroeien van
jeugdigen tot competente, democratisch ingestelde volwassenen. Maar ook veel
kansen en mogelijkheden.Jeugdigen hebben de ‘opgroei-opdracht’ die kansen ook daadwerkelijk te pakken.
Opvoeders, beleidsmakers en politici hebben met elkaar de pedagogische opdracht
te zorgen voor een (pedagogische) infrastructuur waarin niet alleen het eigen
belang telt maar ook het belang van anderen en / of het algemeen
belang. Daarbij hebben ze ook de taak ervoor te zorgen dat – waar nodig - die
opgroei- en opvoedhulp voorhanden is waar betrokkenen echt iets aan hebben.
Onze
inspanningen, als adviesbureau, zijn in ieder geval daarop gericht.
Bronnen:
- ‘Wat doen we met onze
kinderen?’, thema-avond VPRO 16 oktober 2005 en VPRO-gids, nr. 42,
- artikel ‘Onopgevoed?’
(over de thema-avond) door Lokien de Bie.
- Thomas Rosenboom (1956) in zijn Kellendonk-lezing
14 februari 2005, verscheen onder de titel
- Denkend aan Holland.
- De jeugd in Nederland, factsheets ten behoeve van de conferentie Operatie
Jong, SCP,
- september 2005.
- Hans Kaldenbach.
Geef me respect, 99 tips voor het omgaan met jongeren in de straatcultuur.
- Amsterdam: uitgeverij Prometheus, 2004.
- Micha
de Winter. Democratie-opvoeding versus de code
van de straat, Nederlands tijdschrift
- voor jeugdzorg, jaargang
9, september 2005, p. 225-237.
- Jo
Hermans. Op weg naar een volwassen jeugdbeleid, lezing voor conferentie
Operatie Jong,
- Utrecht 12 september
2005.
- Vroegtijdig signaleren
van problemen bij 0 tot12-jarigen, SCP, april 2005.
- De Gordiaanse
Jeugdknoop, met meer gezin en gezag, rapport CDA, augustus 2005.
- Hans Kaldenbach.
Geef me respect, 99 tips voor het omgaan met jongeren in de straatcultuur.
- Amsterdam: uitgeverij Prometheus, 2004.
- Karen Schwarze en Sylvia van
Woudenberg van Stade Advies. Zoek jongeren op waar ze te vinden zijn,
methodiekbeschrijving voor ambulant jongerenwerk. Den Haag: VNG
uitgeverij, 2004.